Hoe herken ik een oudervervreemder?
Bijgewerkt: 6 januari 2026
Een oudervervreemder herken je doordat deze zich niet (meer) houdt aan de verplichtingen samenhangende met de (gezamenlijke) ouderlijke verantwoordelijkheid
Vervreemdingsgedrag is vanuit het perspectief van het kind niet altijd negatief gedrag. Naast één of meerdere vormen van niet-welwillend gedrag kan het zich bijvoorbeeld ook uiten in de vorm van (overdreven) positief gedrag richting het kind. Het beoogde effect hiervan veelal is dat de loyaliteit van het kind wordt verkregen door de vervreemder (in het Engels de Alienating Parent) op een wijze waarop dit ten koste gaat van de band die het kind heeft/ontwikkelt met de andere ouder (in het Engels de Targeted Parent). Ook kan het kind de indruk krijgen dat de andere ouder niet voldoet of niet ‘goed-genoeg’ is. Het Expertteam Ouderverstoting noemt oudervervreemding in haar advies: “loyaliteitsbeïnvloedend gedrag”.
Oudervervreemdend gedrag is zeer schadelijk voor het kind en bijvoorbeeld al in 2007 door Rechtbank Maastricht gekwalificeerd als een vorm van kindermishandeling. Daarnaast is oudervervreemding in 2019 door Rechtbank Limburg gekwalificeerd als geestelijk geweld en in 2023 door Rechtbank Midden-Nederland als kindermishandeling in de vorm van emotionele verwaarlozing en psychisch geweld.
Nu houdt waarschijnlijk iedere ouder zich bezig met een vorm van loyaliteitsbeïnvloeding, zelfs in normaal functionerende ‘goed genoeg’ gezinnen. Loyaliteitsbeïnvloeding wordt oudervervreemding wanneer de beïnvloeding ten koste gaat van de band van het kind met de andere ouder.
Vervreemdingsgedrag is bijvoorbeeld te herkennen doordat een afglijdend of negatief ouderbeeld bij het kind niet aantoonbaar wordt gecorrigeerd/ondersteund door de vervreemder. Noch koppelt de vervreemder hier (in voldoende mate) acties aan die tot doel hebben om dit ouderbeeld te herstellen. Op de vraag hoe zo een ouder dan wél de banden tussen het kind en de andere ouder zou hebben bevorderd en waaruit dit blijkt, komt veelal geen concreet antwoord, terwijl dit een onvoorwaardelijke wettelijke actieve inspanningsplicht van die ouder is, waaraan deze zich niet kan onttrekken. In plaats daarvan volgen veelal pogingen de discussie af te leiden naar bijv. ‘wat het kind aangeeft’.
Anders gezegd kan oudervervreemdend gedrag dus bestaan uit iets doen en uit iets niet-doen, zoals het niet-nemen van dit deel van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dit laatste is waar het in het systeem het meest mis gaat. Het niet-actief invullen van de plicht om de banden tussen het kind en andere ouder te bevorderen is o.i. dé belangrijkste indicator dat deze ouder zich onttrekt aan deze cruciale ouderlijke plicht en ouderverstoting als ultimo uitkomst aanvaard. Toch wordt deze actieve inspanningsplicht nauwelijks getoetst. Sterker, zelfs in situaties waarin voor de rechter in voldoende mate vaststaat dat de ouder een vervreemder is, wordt nauwelijks handhavend opgetreden en dit is onbegrijpelijk.
Is de oudervervreemdingscampagne succesvol en heeft het kind de band met de andere ouder doorkruist (volgens de praktijk als ‘copingmechanisme’), dan behoort tot het gedrag van de vervreemder ook, dat deze stopt met zich te conformeren aan de andere verplichtingen die behoren tot de (gezamenlijke) ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze situaties zijn eenvoudig te herkennen. Naast dat de ‘inmiddels coalitie-ouder’ zich niet (meer) conformeert aan de ouderschapsnormen, houdt deze zich veelal ook niet meer aan de informatieplicht en de consultatieplicht, of worden deze verplichtingen slechts ‘voor de bühne’ marginaal ingevuld. Wat we veel zien is dat zo een ouder zich verontschuldigd door aan te geven ‘dat het kind dit niet zou willen’. Het spreekt voor zich dat dit soort ouders zelden tot nooit zelf de stap naar de rechter maken om ontheven te worden van hun ouderlijke plichten (jegens de andere ouder) en dít is een andere belangrijke indicator dat de ouder zich bedient van vervreemdingsgedrag.
Er ligt een belangrijke taak voor rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, hulpverlening en GI’s om te toetsen in hoeverre ouders zich toewijden aan hun wettelijke inspanningsplichten (naar elkaar), alsmede wat niet-welwillend gedrag drijft. Dit verzuimen ondermijnt het bereiken van oplossingen. De ouderlijke plichten staan niet voor niets in de wet. Ze dienen om voor het kind een optimale ontwikkelingsbasis te bewerkstelligen. Daar is in het kader van de wetgevingsprocessen goed over nagedacht. Alles begint met het niet-naleven van de ouderlijke verantwoordelijkheden. Dan behoort een interventie zich primair daar op te richten. Lees onze visie over hoe: Ouderverstoting op te lossen of te voorkomen.
