← Terug
/ Kennisbank / Vraag en antwoord /Procederen/Kan ik een beroep doen op het Verdrag van Istanbul?

Kan ik een beroep doen op het Verdrag van Istanbul?

Bijgewerkt: 21 april 2026
Vechtscheidingen worden gekenmerkt door huiselijk geweld, soms fysiek, vaker psychisch, waarbij het geweld ook doorgaat nadat ouders uit elkaar zijn. Zo eenvoudig is het. Dit betekent dat een beroep op het Verdrag van Istanbul mogelijk is.

Op de V&A-pagina: Hoe herken ik niet-welwillend gedrag? zijn diverse verschijningsvormen van geweld beschreven die in de familierechtpraktijk worden gezien. Daaruit blijkt dat er vele vormen van geweld zijn, zowel rechtstreeks naar de ex-partner (m/v) als via het kind of derden. Er zijn natuurlijk ook situaties waarin dit geweld al aanwezig was gedurende de relatie.

Regelmatig zien we strafrechtelijke veroordelingen doorwerken in familierecht-beslissingen. Dit gebeurt dan niet expliciet, maar veelal als een omstandigheid op basis waarvan de rechter een bepaalde beslissing (niet) in het belang van het kind vindt.

We zien het Verdrag van Istanbul (hierna ook: het verdrag of het VVI) in de familierechtspraak voor het eerst verschijnen in deze uitspraak van Gerechtshof Amsterdam. Hierin beroept de moeder zich op het verdrag onder verwijzing naar (vermeend) geweld door de vader. Het blijkt echter een onterecht beroep. Volgens het hof onderbouwt de moeder namelijk onvoldoende dat zij daadwerkelijk slachtoffer is van huiselijk geweld.

Het is een duidelijk signaal voor de praktijk: niet elk beroep op het verdrag blijkt gerechtvaardigd en de rechter moet goed onderzoek doen of de argumenten steekhoudend zijn. Verder stelt het hof dat het verdrag slechts verplichtingen schept voor de staat en dat een direct beroep door een individu niet mogelijk is. Uit latere rechtspraak blijkt overigens dat dit directe beroep wél mogelijk is, net zoals bijvoorbeeld bij artikel 8 EVRM (het recht op familie- en privéleven).

Geen Verdrag, wel maatregelen bij geweld

Hoewel geweld in de familierechtpraktijk veelvuldig voorkomt, zien we het verdrag toch nog weinig tractie hebben. Hiervoor kunnen een aantal redenen zijn:

  • De Nederlandse wet biedt op zich de mogelijkheden voor familierechters om een gevolg te verbinden aan de aanwezigheid van (een geschiedenis van) huiselijk geweld, zoals via de ‘optimale-ontwikkel-plicht‘ en het klem-criterium. Zie voor een voorbeeld, deze uitspraak van Rechtbank Den Haag (moeder was pleger).
  • De wet geeft de rechter in diverse bepalingen (bijvoorbeeld bij omgang/informatie/consultatie) de ‘ambtshalve mogelijkheid’ om in het ‘zwaarwegende belang van het kind’ een andere beslissing te nemen. Bij erkenningen is in de wet bovendien expliciet voorzien in het meewegen van de ‘belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind’. Overigens blijkt uit deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem Leeuwarden dat een beroep op het VVI ook in erkenningszaken mogelijk is.
  • Er kan ogenschijnlijk binnen één gerechtshof discussie zijn of het verdrag kan worden toegepast bij bijvoorbeeld erkenningen of dat het slechts/vooral ziet op omgang en gezag. Vergelijk deze uitspraak en deze uitspraak, beiden van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In deze uitspraak van Rechtbank Noord-Holland vindt de Raad voor de Kinderbescherming overigens dat het verdrag wel van toepassing is op erkenningssituaties.
  • De rechtspraak worstelt mogelijk met het begrip ‘huiselijk geweld’ en wanneer daarvan precies volgens het verdrag sprake is. Is daarvan bijvoorbeeld alleen sprake als er een strafrechtelijke veroordeling is of ook al als de familierechter zelf vindt dat het gedrag van een ouder naar de andere ouder en/of het kind kwalificeert als geweld? O.i. is bezien vanuit het kind alles wat niet omvat het naleven van de wettelijke ouderlijke actieve inspanningsplichten een vorm van kindermishandeling en tevens ex-partnergeweld (lees over: ouderschapsnormen, informatieplicht en consultatieplicht). Het niet-naleven van die plichten vormt de wortel van alle vechtscheidingen.
  • Tot slot zien we in veel uitspraken dat de rechters de strijd (lees: het geweld) tússen de ouders plaatsen en als iets zien dat beiden toepassen, of waarin beide ouders een gelijk aandeel hebben. Soms is dat juist. In veel vechtscheidingssituaties echter is het één van beide ouders die zich bedient van ex-partner geweld (al dan niet via het kind) en o.i. een ‘niet-goed-genoeg’-ouder is. Lees in dit kader ook de opinie: Maak goed-interouderschap onderdeel van de veertien voorwaarden voor goed-genoeg-ouderschap!

Het Verdrag van Istanbul in de Nederlandse familierechtspraak

Sinds de inwerkingtreding van het verdrag in Nederland op 1 januari 2016, hebben diverse familierechters het verdrag wel toegepast bij hun beslissing. Het artikel waar dan een beroep wordt gedaan is artikel 31 VVI. Dit artikel stelt het volgende:

Artikel 31 VVI: Voogdij, omgangsregeling en veiligheid
1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
In deze beslissingen hebben we rechters tot nu toe – met uitzondering van één zaak – slechts geweld zien meewegen dat is/wordt gepleegd van mannen naar vrouwen en kinderen, terwijl het verdrag alle slachtoffers van huiselijk geweld (vrouw/man/kind) bescherming biedt. Het is duidelijk dat op dit vlak nog een stuk erkenning door de rechtspraak gegeven dient te worden aan de diversiteit van geweld bij vechtscheidingen.

Hierna worden enkele zaken uitgelicht. Wanneer het verdrag wel wordt toegepast, wordt daarbij ook beschreven welk geweld de rechter voor diens beslissing medebepalend heeft geacht. Ook worden enkele uitspraken uitgelicht waarin ten onrechte een beroep op het verdrag werd gedaan.

VVI toegepast

Een moeder start een procedure bij Rechtbank Amsterdam met als doel de zorgregeling voor haar dochter van ongeveer 2 jaar te beperken, omdat zij zich zorgen maakt over agressie, controle en stalking door de vader. De vader wilde juist een veel ruimere regeling, bijna gelijkwaardig verdeeld, en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde ook uitbreiding van het contact. De rechter neemt de zorgen van de moeder serieus en vindt dat er genoeg aanwijzingen zijn voor eerdere gewelds- en controle-incidenten, terwijl het nog te vroeg is voor een bijna 50/50-regeling. Daarom krijgt de vader wel iets meer tijd met het kind dan eerst, maar duidelijk minder dan hij vroeg: eens per twee weken een weekend en in de andere week van donderdag uit de opvang tot vrijdag 17.00 uur. Verder mag de moeder het kind inschrijven bij een ander kinderdagverblijf dat praktischer ligt, wordt een beslissing over de basisschool nog niet genomen en volgt de kinderalimentatie later.

Volledige uitspraak

Een moeder en een vader procederen bij Rechtbank Noord-Holland over het verzoek van de vader om weer omgang te krijgen met zijn twee jonge kinderen, van wie één nog geen 5 is en de ander een kleuter of jong schoolkind. De rechter wijst dat verzoek af, omdat contact nu niet veilig genoeg wordt gevonden voor de kinderen en ook niet voor de moeder. Meegewogen wordt dat de vader strafrechtelijk is veroordeeld voor ernstig geweld tegen de moeder, stalking en identiteitsfraude, en dat er nog een contactverbod geldt. Volgens de rechtbank laten de kinderen duidelijke trauma- en angstreacties zien, vooral bij het oudste kind, waardoor eerst rust, behandeling en herstel nodig zijn voordat begeleid contact weer in beeld kan komen. De rechtbank verwacht dat hulpverlening en het wijkteam in het vrijwillige kader later bekijken of contactherstel verantwoord mogelijk is.

Volledige uitspraak

Een moeder start een procedure bij Rechtbank Midden-Nederland met als doel alleen het gezag te krijgen over haar twee jonge zoons van 6 en 5 jaar en het contact met de vader te stoppen. De rechter vindt fors huiselijk geweld door de vader tegenover de moeder voorlopig voldoende aannemelijk, mede door foto’s, politie-informatie en uitspraken van de kinderen. Daarom wordt het gezag van de vader tijdelijk geschorst en mag de moeder voorlopig alleen beslissingen nemen over de kinderen. Er komt nu geen omgang, geen voorlopige informatieregeling en de kinderen gaan ook niet bij de vader wonen; dat verzoek van de vader wordt afgewezen. De definitieve beslissing over gezag en omgang stelt Rechtbank Midden-Nederland nog uit, eerst moet de Raad voor de Kinderbescherming daar onderzoek naar doen.

Volledige uitspraak

Een vader gaat in hoger beroep bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden omdat hij samen met de moeder het gezag wil over hun zoon van 5 jaar en meer omgang wil. De moeder verzet zich hiertegen en vraagt juist om geen omgang, vanwege jarenlang stalken, bedreigen en een strafrechtelijk opgelegd contactverbod tegen de vader.

Het hof vindt dat gezamenlijk gezag onmogelijk is door het ernstige geweldsverleden, het contactverbod en het grote wantrouwen, waardoor het kind klem zou raken. Omdat de moeder ernstige psychische klachten heeft door het geweld en de omgang haar verder onderuit haalt, beslist het hof dat er nu helemaal geen omgang met de vader komt. De eerdere omgangsregeling van Rechtbank Noord-Nederland wordt daarom vernietigd en de moeder houdt alleen het gezag.

Volledige uitspraak

Een vader start een procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant met als doel gezamenlijk gezag te krijgen over zijn zoon van ongeveer 7 jaar en een omgangsregeling vast te laten stellen. De rechtbank vindt dat contact tussen de vader en het kind belangrijk is, maar dat dit gezien de ernstige gedragsproblemen van het kind en zorgen over (mogelijk) huiselijk geweld alleen veilig kan in begeleide vorm. De GI krijgt de regie over de vorm, duur en opbouw van de omgang en moet ook zorgen voor passende hulp en begeleiding voor vader en kind. Over het gezamenlijk gezag wordt nog geen knoop doorgehakt: dat verzoek wordt bijna tien maanden aangehouden zodat eerst de omgang en samenwerking tussen ouders kan worden gevolgd.

Volledige uitspraak

Onterecht (impliciet) beroep op VVI

Een vader start een procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant met als doel samen met de moeder het gezag te krijgen, het hoofdverblijf van hun dochter van ongeveer 4 jaar bij hem te laten bepalen en duidelijke zorgafspraken te maken. De rechter stelt vast dat het kind al bijna twee jaar bij de vader woont, dat het daar goed met haar gaat en dat beide ouders in principe voldoende opvoedvaardig zijn. Er waren wel ernstige spanningen tussen de ouders, maar de rechter kon niet vaststellen dat sprake was van intieme terreur of dwingende controle; wel blijft de angst van de moeder voor de vader een aandachtspunt. De rechtbank beslist dat de ouders voortaan samen het gezag hebben, dat het meisje haar hoofdverblijf bij de vader houdt en dat het contact met de moeder stapsgewijs wordt uitgebreid.

Volledige uitspraak

Een moeder gaat in hoger beroep tegen de beslissing van Rechtbank Midden‑Nederland om de hoofdverblijfplaats van haar zoontje van 4 jaar bij de vader te bepalen. Zij stelt dat zij altijd de hoofdverzorger was, dat de vader feitelijk veel uitbesteedt aan zijn ouders, dat het jongetje overbelast en vermoeid is én dat er tijdens het huwelijk sprake is geweest van “intieme terreur”. De vader betwist dat, zegt zijn werk om de zorg heen te plannen en wordt door de Raad en de GI gezien als de ouder die het beste ruimte geeft aan de andere ouder. Het hof vindt geen verband tussen de zorgen rond het gedrag van het kind en de keuze voor hoofdverblijf bij de vader, verwijst naar ingezette hulp (kindercoach/speltherapie) en bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de vader.

Volledige uitspraak

Een vader start een procedure bij de rechtbank Rotterdam om een ruimere zorgregeling voor zijn kind te krijgen; de moeder vraagt in een tegenverzoek om eenhoofdig gezag. Daarvoor voert ze aan dat de vader zich schuldig zou maken aan intieme terreur. De rechter oordeelt dat hiervoor te weinig bewijs is en dat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem raakt tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag blijft in stand en het verzoek van de moeder om het gezag alleen te krijgen wordt afgewezen.

Volledige uitspraak

Een moeder komt in hoger beroep tegen een rechtbankuitspraak waarin een begeleide omgangsregeling is vastgesteld tussen haar kind en de vader. Ze stelt o.m. slachtoffer te zijn van intieme terreur en dwingende controle.

Het hof erkent dat de door de moeder gestelde jarenlange intieme terreur en dwingende controle zeer zorgelijk klinken, maar vindt deze in deze procedure onvoldoende met objectieve, verifieerbare stukken onderbouwd (zoals medische/hulpverleningsgegevens, telefoon-/socialmediagegevens).

Daardoor acht het hof niet aannemelijk gemaakt dat omgang met de vader ernstig nadeel voor het kind oplevert of dat de vader kennelijk ongeschikt is tot omgang. De gestelde intieme terreur kan daarom nu niet dienen als grond om het contact tussen vader en kind te ontzeggen.

Omdat de omgang bovendien plaatsvindt in een begeleide en daarmee veilige setting bij het omgangshuis, ziet het hof geen reden om de voorlopige omgangsregeling te blokkeren of eerst een raadsonderzoek te laten doen.

Volledige uitspraak

Een moeder ontvoert haar kind van 2 jaar van Polen naar Nederland. De vader doet een teruggeleidingsverzoek. De moeder verweert zich onder meer met het standpunt dat er sprake is geweest van Intieme Terreur. Dit baseert zij op basis van een door Moviera eenzijdig afgenomen MASIC-NL onderzoek. Vader ontkent echter dat er sprake is van intieme terreur en neemt niet deel aan het MASIC-onderzoek.

Het hof concludeert dat het door moeder gestelde onvoldoende is komen vast te staan en dat moeder geen beroep kan doen op het Verdrag van Istanbul.

Volledige uitspraak

Een divers geweldsspectrum

Uit de gepubliceerde uitspraken volgt dat het geweldsspectrum – waarbij een beroep op het Verdrag van Istanbul succesvol is gedaan – heel divers is.

Aan de ene kant staan zaken waarbij er zeer ernstig en ook aanhoudend geweld heeft plaatsgevonden en/of nog plaatsvindt, inclusief strafrechtelijke veroordelingen van de pleger. Ook aan die kant zien we uitspraken waarin de rechter vindt dat er ook sprake is van een ongelijkwaardige relatie en dwingende controle, zoals in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden of bijvoorbeeld stalkingsgedrag zoals beschreven in deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam. Mannen waren in alle bestudeerde zaken de plegers.

Aan de andere kant staan ‘lichtere’ gedragingen die we veel vaker zien in vechtscheidingen, zoals in deze uitspraak van Rechtbank Gelderland. In de praktijk zien we die gedragingen bij zowel mannen als vrouwen (waarbij dus ook mannen en kinderen de slachtoffers zijn).

Hieruit volgt de conclusie: Als je te maken hebt met geweld zoals beschreven op de V&A-pagina: Hoe herken ik niet-welwillend gedrag? doe dan een beroep op het Verdrag van Istanbul, ongeacht of je als slachtoffer vrouw, man of kind bent. Het is natuurlijk van belang om de vorm, de ernst en duur van dit geweld aan te tonen. Het is vervolgens aan de rechter of die het verdrag daadwerkelijk bij de beoordeling betrekt.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit

Meest recente opinie

Zoek in de kennisbank