Leidt een vechtscheiding tot ondertoezichtstelling?
Bijgewerkt: 6 januari 2026
De aanwezigheid van ouderstrijd leidt in veel gevallen tot ondertoezichtstelling van het kind omdat deze strijd volgens vaste rechtspraak kwalificeert als een vorm van kindermishandeling.
De strijd (lees voorbeelden) staat haaks op de plicht van ouders om zorg te dragen voor samengevat ‘een gezonde en evenwichtige ontwikkeling’ van het kind, zoals verwoord in artikel 1:247 lid 2 BW.
Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
Wat hierin opvalt zijn drie criteria:
- Het kind wordt ernstig in zijn/haar ontwikkeling bedreigd.
- De ouders en/of het kind accepteren in onvoldoende mate vrijwillige hulpverlening (onder a.).
- De ouder(s) met het gezag is (zijn) binnen een acceptabele tijd weer in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (samen) te dragen.
Er kunnen dus diverse redenen zijn waarom er geen OTS wordt vastgesteld, bijvoorbeeld:
- Er is niet werkelijk sprake van een ontwikkelingsbedreiging (lees: ondanks de aanwezigheid van ouderstrijd kan het kind daarbinnen zich in ‘voldoende mate’ ontwikkelen).
- Er is nog hulp in een vrijwillig kader die kan worden doorlopen, waarvan eerst moet komen vast te staan dat ouders deze hulp niet of onvoldoende accepteren.
- Eigenlijk is niet meer te verwachten dat ouders nog in staat zijn om nog binnen een voor het kind acceptabele termijn de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen (lees: er zijn mogelijk zwaardere maatregelen nodig, zoals een uithuisplaatsing of een omgangs- dan wel gezagsbeëindigende maatregel).
- Verder zien we in de rechtspraak geregeld dat alles al is geprobeerd, dat er al een OTS is geweest en dat de kinderen van globaal 13+ jaar inmiddels weerstand hebben ontwikkeld tegen hulpverlening en dat de inmenging van een gezinsvoogd mogelijk meer kwaad gaat doen dan goed. Ook in die gevallen wordt er regelmatig geen OTS (meer) vastgesteld.
Een OTS wordt gemiddeld genomen sneller vastgesteld wanneer:
- De ontwikkelingsbedreiging zich feitelijk al in het kind manifesteert in de vorm van – door professionele derden vastgesteld – zorgelijk gedrag; en/of
- een kind kind-eigen problematieken heeft (cognitief/sociaal-emotioneel/fysiek) waardoor deze kwetsbaarder cq minder veerkrachtig is dan ‘normale’ kinderen; en/of
- één of beide ouders – door professionele derden vastgestelde – ‘eigen problematieken’ hebben.
Een voorbeeld waarin er een OTS is vastgesteld kun je bijvoorbeeld lezen in deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam.
Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?
Bedankt voor je positieve feedback!
Bedankt voor je inbreng!
Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?
