Geweld in het familierecht: van MASIC-NL naar forensiek
Bijgewerkt: 5 januari 2026 | Leestijd: 8 minutenIn het kort: De MASIC-NL heeft in potentie een waardevolle signaleringsfunctie, maar is geen forensisch instrument. Toch wordt het in de rechtspraktijk soms als zodanig gehanteerd. Dat creëert bewijsrechtelijke risico’s en ondermijnt rechtszekerheid. Een verantwoorde risicotaxatie bij (partner)geweld vraagt om een landelijk gevalideerde methodiek met duidelijke kwaliteitsnormen en onafhankelijke toetsing, ontwikkeld onder regie van NFI, NIFP en universiteiten. Het familierecht vraagt om een gevalideerde, toetsbare methodiek die ouderlijke plichten en kindbelang met risico’s verbindt.
Aanleiding
In het familierecht groeit de behoefte aan betrouwbare instrumenten om (partner)geweld te herkennen en te duiden. De MASIC-NL raakt steeds meer ingeburgerd bij jeugdprofessionals, jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en in gerechtelijke trajecten. Het instrument ordent gesprekken over veiligheid en helpt professionals risico’s in beeld te krijgen.
Die signaalfunctie is op zich waardevol. Wat wel problematisch is, is dat in de rechtspraktijk de MASIC-NL steeds vaker gebruikt wordt alsof het een forensisch middel is, vergelijkbaar met een Pro Justitia-onderzoek. Dat is een misvatting. De MASIC-NL is nooit ontwikkeld of gevalideerd als forensisch onderzoeksmiddel. Ze kent bijvoorbeeld geen gecontroleerde scoring en geen certificeringssysteem voor gebruikers. Toch worden uitkomsten soms opgenomen in rechterlijke beslissingen. Dat is begrijpelijk vanuit de behoefte aan houvast, maar risicovol vanuit juridisch oogpunt. Over de onwenselijke inzet als steunbewijs is eerder geschreven; zie deel 1 van de reeks over MASIC-NL.
De huidige praktijk: goed bedoeld, maar kwetsbaar
De MASIC-NL wordt doorgaans afgenomen door een jeugdprofessional, jeugdbeschermer of gedragsdeskundige in de context van een scheidings- of gezag- en/of omgangsprocedure. De gesprekspartner vult samen met de professional vragen in over psychisch, fysiek of financieel geweld.
De praktijk laat drie structurele kwetsbaarheden zien:
- Onvoldoende uniformiteit: de wijze van afname verschilt per organisatie en per persoon.
- Geen opleidingseis: een korte cursus volstaat; er is geen landelijke registratie of hercertificering. Dit omvat zowel het doen van het interview zelf, het analyseren van de uitkomsten én eventueel opvolgend feitenonderzoek.
- Onzekere bewijspositie: rapportages worden soms als feitelijk uitgangspunt gebruikt, terwijl ze methodisch niet controleerbaar zijn.
De uitkomst kan verstrekkende gevolgen hebben, zonder dat duidelijk is hoe betrouwbaar de gegevens zijn of hoe de interpretatie tot stand kwam. Voor de gevolgen van geheimhouding en selectieve vraagstelling: zie deel 2 en deel 4 van de serie over MASIC-NL.
De schijn van methodiek
De MASIC-NL wekt met haar negentig vragen, werkbladen en bijlagen de indruk van een gestructureerde methodiek. In werkelijkheid is het primair een vorm van gespreksordening, bedoeld om veiligheid bespreekbaar te maken. Een gespreksinstrument ordent wat mensen vertellen; een onderzoeksmethodiek toetst of wat mensen vertellen klopt, volledig is en consistent met andere gegevens. Zonder vastgelegde scoringsregels, herleidbare interpretatie en onafhankelijke toetsing blijft de uitkomst afhankelijk van de persoon die de MASIC-NL afneemt. Vorm is hier geen bewijs van validiteit.
Anticipatie op een tegenargument
Het is begrijpelijk dat rechters, raad en jeugdbeschermers houvast zoeken in complexe zaken. De behoefte aan een objectieve maatstaf is groot, en de MASIC-NL lijkt die te bieden. Juist daarom is het gevaarlijk om een hulpmiddel dat niet aan de basisnormen voldoet, te verheffen tot bewijsmiddel.
Het biedt een valse zekerheid die in hoger beroep kan worden ondergraven en, belangrijker nog, de veiligheid van kinderen en ouders kan ondermijnen door een onjuist of oncontroleerbaar beeld te schetsen. Wanneer beslissingen over juridisch ouderschap, gezag, omgang en jeugdbescherming worden genomen op basis van ongetoetste risicotaxatie, komen fundamentele rechten in het geding: het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM), het recht op een eerlijk proces (6 EVRM) en het belang van het kind als eerste overweging (artikel 3 IVRK). Voor een uitgebreide analyse van steunbewijs en bewijsrisico’s: zie deel 1 van de serie over MASIC-NL.
Van negatieve naar positieve normen: ouderlijke plichten als uitgangspunt
Het familierecht onderscheidt zich van het strafrecht doordat het niet alleen uitgaat van het voorkomen van schade, maar van het bevorderen van optimale ontwikkelingsmogelijkheden voor het kind. Hiertoe behoort niet alleen goed-genoeg opvoederschap. Hiertoe behoort ook goed-genoeg-inter-ouderschap. Waar het strafrecht negatief normatief is, gericht op het vaststellen van overtredingen, hanteert het familierecht positieve normen: wat ouders behoren te doen om het belang van hun kind te waarborgen.
Een forensisch verantwoorde methodiek in het familierecht moet daarom verder kijken dan het vaststellen of sprake is van (huiselijk) geweld. Zij moet onderzoeken in hoeverre ouders in staat zijn om hun ouderlijke verantwoordelijkheden (naar het kind én elkaar) na te komen, om samen te werken rond de opvoeding en om de veiligheid, emotionele stabiliteit en optimale opgroeicontext van het kind te waarborgen.
In aansluiting op o.m. artikel 1:247 BW (ouderschapsnormen) en artikel 3 IVRK (belang van het kind) bevat de methodiek positieve toetsitems, zoals:
- continuïteit van zorg en bevordering van de band met de andere ouder;
- conflictde-escalatie en naleving rechterlijke beslissingen;
- waarborgen voor emotionele veiligheid en voorspelbaarheid, ook tússen de ouders.
Deze benadering sluit aan bij de positieve verplichtingen van de Staat om gezinsleven te beschermen (art. 8 EVRM) en effectieve maatregelen te nemen tegen (psychisch) geweld binnen relaties (art. 19 IVRK).
Het centrale toetsingskader moet niet de vraag zijn of er geweld is, maar of het kind in een veilige, voorspelbare en zorgzame omgeving kan opgroeien. Dat vraagt om onderzoek dat is ingebed in de positieve verplichtingen van de Staat onder het IVRK en het EVRM, niet slechts om het vaststellen van tekortschieten, maar om het bevorderen van herstel van een voor het kind negatieve situatie, en eigenaarschap van de ouders (gezamenlijk).
Wat in forensisch onderzoek als minimumnorm geldt
In andere domeinen, zoals het strafrecht en de forensische psychiatrie, bestaan duidelijke normen voor onderzoek dat als bewijsmiddel wordt gebruikt. Die normen zijn ook relevant voor het familierecht.
Essentiële voorwaarden zijn:
- Gestandaardiseerde werkwijze: elk onderzoek wordt uitgevoerd volgens een vast protocol; vragen, observaties en beoordelingscriteria zijn uniform.
- Transparantie en controleerbaarheid: de rapportage laat zien welke informatie is verzameld, hoe die is gewogen en welke onzekerheden bestaan.
- Geschoolde en geregistreerde onderzoekers: alleen professionals met erkende forensische opleiding en registratie voeren het onderzoek uit
- Scheiding van rollen: de onderzoeker is onafhankelijk; wie onderzoekt, bemiddelt of behandelt niet tegelijkertijd.
- Kwaliteitsbewaking en validatie: methoden worden regelmatig getoetst op betrouwbaarheid en bruikbaarheid in de Nederlandse context.
- Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: vooraf gedefinieerde betrouwbaarheidsdrempels (bijv. Cohen’s kappa of ICC) zijn randvoorwaarde voor toepassing.
- Audittrail en contra-expertise: elk onderzoek bevat een herleidbare log van vragen, antwoorden en wegingen; partijen hebben recht op inzage en contra-expertise.
Zonder deze waarborgen is de uitkomst niet reproduceerbaar en dus niet juridisch verantwoord. Over geheimhouding en selectieve definities: zie deel 2 en deel 4 van de serie over MASIC-NL.
De kloof tussen screening en methodiek
De MASIC-NL voldoet niet aan deze waarborgen. Het instrument is bedoeld voor signalering, niet voor bewijsvoering. De afname is niet uniform, de betrouwbaarheid onbekend en er bestaat geen opleidingstraject dat garandeert dat gebruikers dezelfde methodiek hanteren.
Een tweede misvatting is dat – ook volgens de grondleggers van MASIC-NL – de kwaliteit van de uitkomst vooral afhangt van de professional. In een forensische context is het juist de methodiek die verschillen opvangt. Twee deskundigen moeten met dezelfde gegevens tot een vergelijkbare conclusie kunnen komen. Reproduceerbaarheid is geen kwestie van talent, maar van structuur en waarborgen.
Waarom juist de forensische beroepsgroep aan zet is
De infrastructuur om dit te ontwikkelen bestaat al. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) werken dagelijks volgens deze kwaliteitsstandaarden. Hun expertise in methodiekontwikkeling, opleiding en audit is precies wat in het familierecht ontbreekt.
(Partner) Geweld, stalking, kindermishandeling en complexe scheidingen vallen nu tussen wal en schip: te civiel voor het NIFP, te gedragskundig voor het NFI. Daardoor ontwikkelt de praktijk eigen oplossingen, zonder centrale regie of toetsing. De forensische beroepsgroep is daarom de logische partij om deze leemte te vullen, niet om het strafrecht de familiekamer binnen te halen, maar om de forensische methodische discipline toe te passen op het civiele domein, met aandacht voor de positieve normen van ouderlijke verantwoordelijkheid.
Van losse praktijk naar structureel programma
Waar deel 3 over MASIC-NL vooral een transparantie- en procesmodel schetst, werkt dit deel de forensische kwaliteitsnormen en institutionele inbedding uit die nodig zijn om kindbelang en ouderlijke plichten reproduceerbaar te toetsen.
Een verantwoorde forensische methodiek vraagt om een programmatische aanpak:
- Ontwikkelfase: NFI, NIFP en universiteiten ontwikkelen samen met de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoeksprotocol voor risicotaxatie bij (partner)geweld in scheidingssituaties, waarin ook ouderlijke plichten en herstelgericht onderzoek zijn opgenomen. Aanvulling op het transparantiemodel van deel 3: hier wordt de forensische kwaliteitscyclus uitgewerkt.
- Validatie en toetsing: het protocol wordt in pilotvorm toegepast in enkele arrondissementen; onafhankelijke onderzoekers beoordelen de reproduceerbaarheid.
- Implementatie en opleiding: na validatie volgt landelijke invoering, gekoppeld aan een erkende opleiding en registratie van deskundigen.
- Doorlopende kwaliteitsbewaking: een gemengde commissie van forensische en juridische deskundigen bewaakt de kwaliteit, herziet het protocol periodiek en publiceert bevindingen.
Verwachte meerwaarde
Een forensisch onderbouwde methodiek die het belang van het kind centraal stelt biedt drie belangrijke voordelen:
- Betrouwbaarheid: beslissingen over juridisch ouderschap, omgang en gezag steunen op controleerbare en contextbewuste gegevens.
- Gelijkwaardigheid: beide ouders krijgen inzicht in de werkwijze en kunnen reageren op bevindingen.
- Consistentie: rechtbanken beschikken over een eenduidig kader, wat rechtsongelijkheid verkleint.
Zo’n methodiek voorkomt dat screeningsinstrumenten met onbekende betrouwbaarheid een beslissende rol spelen en biedt reële zekerheid in plaats van schijnzekerheid.
Een gezamenlijke verantwoordelijkheid
De ontwikkeling van een forensische methodiek vraagt samenwerking. Het ministerie van Justitie en Veiligheid kan de opdracht formuleren; het NFI en NIFP kunnen het ontwerp leiden; universiteiten zorgen voor wetenschappelijke toetsing; de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak beoordelen de toepasbaarheid in de praktijk.
Zo kan een structureel Forensisch Familierecht-programma ontstaan dat aansluit bij bestaande expertise en infrastructuur, en dat het positieve normenkader van ouderlijke plichten verankert in de onderzoeksmethodiek.
Aangezien ‘eigenaarschap’ niet vanzelfsprekend is, ontwikkelt Fiduon momenteel de kaders voor een ‘open-source’ methodiek, genaamd het: Multidimensionaal Gedrags-FunctieKader (MGFK). Lees Deel 0 van de serie. De aanleiding.
Conclusie
De rechtspraktijk beweegt in de goede richting: meer aandacht voor veiligheid, meer oog voor patronen van dwang en controle. Maar zonder forensische onderbouwing blijft het een kwetsbare praktijk die fundamentele rechtsbeginselen ondermijnt.
Het is tijd om de stap te zetten van screening naar forensische methodiek. Dat betekent niet meer bureaucratie, maar meer betrouwbaarheid en rechtszekerheid. Wanneer beslissingen over ouders en kinderen worden genomen op basis van risicotaxatie, moet die voldoen aan dezelfde professionele standaarden als in het strafrecht, en ingebed zijn in het positieve uitgangspunt van ouderlijke verantwoordelijkheid en het belang van het kind.
De kennis is er al. Wat nog ontbreekt, is de besluitvaardigheid om het te doen. Voor de korte termijn: zie het voorstel in deel 3 van de serie.
Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?
Bedankt voor je positieve feedback!
Bedankt voor je inbreng!
Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?
Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.
Meepraten?
Deelnemen aan discussie over dit onderwerp kan op Linkedin. Reageer je liever niet publiek, stuur dan een email naar team@fiduon.nl o.v.v. Geweld in het familierecht: van MASIC-NL naar forensiek