Leestijd: 2 minuten

Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat, stelt artikel 1:377a lid 1 BW. Hiertoe behoren bijvoorbeeld ook de grootouders, stiefouders of een stiefbroertje….. toch? Ze zijn of voelen tenslotte als familie.

Het klinkt heel logisch, maar de praktijk is anders. Lees ook meer over dit onderwerp in onze Special: Omgang niet-ouders en grootouders.

Een nauwe persoonlijke betrekking kan er zijn en dan weer niet

Een familierechtelijke verwantschapsrelatie is niet voldoende. Mensen die geen juridisch-ouder zijn zullen moeten aantonen dat ze ‘in een nauwe persoonlijke betrekking’ tot het kind staan.

Uit de rechtspraak volgt samengevat dat hieronder wordt verstaan, dat deze betrekking is ontstaan door o.a. geregeld contact met het kind. Of bijvoorbeeld door frequente dagelijkse zorg voor het kind. Is er geen contact of slechts ‘normaal’ bijv. kind-grootouder contact, dan is er vanuit het kind bezien dus ook geen nauwe persoonlijke betrekking.

Ook moet vast komen te staan dat een nauwe persoonlijke betrekking er nog steeds is. Is er al enige tijd geen contact, dan kan die nauwe persoonlijk betrekking inmiddels ook weer verdwenen zijn.

De bewijslast ligt bij de verzoeker

We zien af en toe zaken waarin bijvoorbeeld niet-juridisch-ouders procederen voor omgang met een kind en wegens de afwezigheid van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ falen. Op de verzoekers rust daarbij de verplichting om aan te tonen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking.

Zouden ouders de verplichting moeten hebben om persoonlijke betrekkingen tussen het kind en anderen te bevorderen?

Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen stelt artikel 1:247 lid 3 BW. De vraag die dan ook opkomt is of het faciliteren van de opbouw van ‘nauwe persoonlijke betrekkingen’ met een bredere kring voor het kind door gezagdragende ouders niet wettelijk ingekaderd zou moeten zijn in artikel 1:247 BW. Dit zou voor rechters ook extra gedrag-toetsingspunten toevoegen.

Tegenstanders hiervan zullen vast van mening zijn dat het stimuleren van de band met de bijvoorbeeld de bredere kring aan weerszijden toch primair een verantwoordelijkheid is van de respectievelijke ouders. Echter, zien we het wat genuanceerder. Het kan natuurlijk zijn dat dit niet (meer) gaat. Bijvoorbeeld omdat deze ouder is overleden of doordat deze daartoe langdurig fysiek of psychologisch niet in staat is. Ook zou het veel kleiner kunnen zijn, bijvoorbeeld doordat het kind vanuit de ouder emotionele toestemming ervaart om betrekkingen (lees: contact) te hebben met de bredere kring bij de andere ouder.

Als je puur vanuit het kind bekijkt dan zou het niet moeten uitmaken wat de ene ouder vindt van bijvoorbeeld grootouders, een (stief)familie aan de andere zijde of van een biologisch ouder. Centraal zou ons inziens moeten staan dat het kind in staat wordt gesteld om ‘nauwe persoonlijke betrekkingen’ te ontwikkelen en vast te houden. En dat eventueel ook getoetst kan worden of een gezagdragend ouder zich daartoe (voldoende) heeft ingespannen.

Nb: Dit artikel heeft primair als doel om de discussie aan te wakkeren. Niet om een uitvoerige beschrijving te geven van alle wetgeving en rechtspraak rondom dit onderwerp. Heeft u een concrete situatie? Wij brengen graag voor u in kaart hoe de lijn in de rechtspraak is in vergelijkbare situaties, mochten deze er zijn. Uiteraard helpen wij u ook graag uw doelen te bereiken.