← Terug
/ Kennisbank /Omgang/Omgang hervatten/Ouderverstoting: wat is het en wat kun je doen?

Ouderverstoting Special

Bijgewerkt: 8 oktober 2026

Houdt je ex-partner de inter-ouderrelatie onrustig en worden jullie kinderen ingezet in de strijd? Dan kan dit leiden tot een pijnlijke situatie waarin je kind – uit zelfbehoud – steeds meer afstand van je neemt en je uiteindelijk volledig verstoot. Ouderverstoting en oudervervreemding worden vaak als uitwisselbare begrippen gebruikt. Toch is er een belangrijk onderscheid. Oudervervreemding gaat over het gedrag van de ouder die de relatie tussen het kind en de andere ouder ondermijnt. Ouderverstoting is het mogelijke gevolg daarvan aan de zijde van het kind.

Zit je in een acute situatie waarin de omgang niet meer of niet volledig wordt nagekomen? Blijf dan rustig. Het belemmeren van contact kan onderdeel zijn van oudervervreemding, maar de situatie verschilt sterk afhankelijk van de leeftijd van het kind en van hoever het proces is gevorderd.

Op deze pagina onderscheiden we drie situaties, die we voor de overzichtelijkheid Fase 0, Fase 1 en Fase 2 noemen. Bij zeer jonge kinderen van 0 tot 3 jaar kan oudervervreemding plaatsvinden voordat een kind zelf in staat is een ouder bewust af te wijzen (Fase 0). In Fase 1 is sprake van oudervervreemdend gedrag terwijl het contact met de andere ouder nog bestaat. In Fase 2 heeft de oudervervreemding ertoe geleid dat het kind de andere ouder afwijst: ouderverstoting.

Voor iedere fase leggen we hieronder uit wat je kunt doen. Verder vind je op deze pagina een uitgebreide sectie over rechtspraak, met uitleg over hoe rechters met oudervervreemding en ouderverstoting omgaan en met voorbeelduitspraken.

Wil je hulp bij het analyseren van de feiten, het beoordelen van je juridische positie en het bepalen van passende vervolgstappen? Vraag een intake aan.

Wat is ouderverstoting?

Ouderverstoting is de situatie waarin een kind steeds meer afstand neemt van een ouder en deze uiteindelijk gedeeltelijk of volledig afwijst als gevolg van oudervervreemdend gedrag van de andere ouder.

In de praktijk worden de begrippen ouderverstoting en oudervervreemding vaak door elkaar gebruikt. Dat is verwarrend, omdat daarmee gedrag van een ouder en het mogelijke gevolg daarvan bij het kind op één hoop worden gegooid. Op deze website maken we daarom bewust onderscheid: oudervervreemding beschrijft wat er aan de zijde van de ouder gebeurt; ouderverstoting beschrijft het gevolg daarvan aan de zijde van het kind.

Dat onderscheid is ook praktisch belangrijk. Wie pas naar oudervervreemding gaat kijken wanneer een kind een ouder afwijst, kijkt in feite pas naar het proces wanneer het effect daarvan al zichtbaar is geworden. Oudervervreemding kan veel eerder beginnen.

Dat een kind geen contact meer wil met de andere ouder betekent niet automatisch dat dit het resultaat is van oudervervreemding. Het gedrag van het kind kan verklaarbaar zijn uit het gedrag van de ouder naar het kind. Dan is er dus geen sprake van ouderverstoting. Een voorbeeld van zo een zaak lees je hier.

Er zijn echter ook veel voorbeelden waarbij de afwijzing wél wordt toegerekend aan de ouder die (inmiddels) de hoofdloyaliteit geniet. Kenmerkend in deze zaken is dat deze ouder zich niet (meer) houdt aan de plicht om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. Lees voor een overzicht het rechtspraakoverzicht onderaan deze pagina.

Houdt een ouder zich niet of onvoldoende aan deze ouderlijke plicht en kan deze ook niet aannemelijk maken dat hij of zij de band tussen het kind en de andere ouder daadwerkelijk heeft bevorderd, dan is dat ons inziens een belangrijke aanwijzing voor oudervervreemding die nader onderzocht moet worden. Wanneer vervolgens blijkt dat dit gedrag de afwijzing door het kind heeft veroorzaakt of in stand houdt, spreken we van ouderverstoting als gevolg van oudervervreemding. Oudervervreemding is een vorm van kindermishandeling en tevens een vorm van inter-ouder strijdgedrag. Inter-ouder strijdgedrag is eveneens een vorm van kindermishandeling, omdat het destabiliseren van de andere ouder rechtstreeks doorwerkt op het kind.

In de praktijk zien we zo goed als altijd combinaties met de niet-naleving van de andere ouderlijke plichten, zoals de informatieplicht, de consultatieplicht, de plicht om een neutrale ouderschapsrelatie te bewerkstelligen én de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht. Het zijn situaties waarin coalitie-ouder veelvuldig zelfbepalend handelt. Het argument dat daartoe wordt aangevoerd is veelal dat het kind dit zou willen of dat dit in het belang van het kind zou zijn. Dit maakt deze situaties o.i. vrij eenvoudig te herkennen.

Fase 0: Oudervervreemding bij zeer jonge kinderen (0–3 jaar)

Bij zeer jonge kinderen kan de relatie met een ouder al worden ondermijnd voordat het kind zelf in staat is die ouder bewust af te wijzen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren doordat de opbouw van de gehechtheidsrelatie met de andere ouder wordt belemmerd. In de rechtspraak wordt in dergelijke situaties onder meer gesproken over het onvoldoende geven van emotionele toestemming aan het jonge kind om een band met de andere ouder te ontwikkelen.

In de praktijk zien we bijvoorbeeld blokkades rond erkenning en omgang, het emotioneel belasten van contact met de andere ouder of het dwarsbomen van uitbreiding van het contact. Ook systeem-triangulatie kan daarbij een rol spelen.

Wanneer uit onderzoek blijkt dat met dit gedrag de relatie tussen het kind en de andere ouder daadwerkelijk wordt ondermijnd, spreken we van oudervervreemding. Van ouderverstoting hoeft in deze levensfase nog geen sprake te zijn: juist daarom onderscheiden we deze situatie als Fase 0. De oudervervreemding kan immers al plaatsvinden voordat de gevolgen daarvan zich bij het kind uiten in een bewuste afwijzing van de andere ouder.

Heb je hiermee te maken, dan is het aan te raden om al in een vroeg stadium de inzichten toe te passen die hieronder voor oudere kinderen worden besproken. Voor hulp kun je contact opnemen.

Fase 1: Er is sprake van oudervervreemding

In deze fase wordt de relatie tussen het kind en de andere ouder ondermijnd, terwijl er nog wel contact tussen hen bestaat. De oudervervreemding kan zich uiten in verschillende gedragingen. Bijvoorbeeld:

  • Negatief gedrag richting de andere ouder, zoals: kwaadspreken, het veroorzaken van incidenten, ‘meestribbelen’, het belemmeren van contact of het destabiliseren van diens thuissituatie.
  • Gedrag richting het kind dat de onderlinge loyaliteitsverhoudingen beïnvloedt, zoals: overdreven aanwezigheid, disproportionele verantwoordelijkheden voor het kind of koopgedrag.

Van ouderverstoting hoeft in deze fase nog geen sprake te zijn. Het kind heeft nog contact met de andere ouder, maar de relatie wordt door de oudervervreemding wel onder druk gezet. Juist in deze fase is het van belang het gedrag en de ontwikkeling daarvan vroegtijdig te herkennen.

Als je te maken hebt met oudervervreemding, lees dan onze tips:

  1. Heb je nog contact met je kind, blijf dan inzetten op waardevolle hechtingsmomenten. Werk consistent aan een fijne, warme band met je kind en laat je daarbij zo min mogelijk afleiden door belemmeringen die de andere ouder opwerpt.
  2. Zoek zo nodig pedagogische hulp om te leren hoe je op een goede manier kunt omgaan met afstand, afwijzing of ander gedrag van je kind dat samenhangt met de oudervervreemding. Het gaat daarbij in eerste instantie om ondersteuning van jou als ouder en niet om het corrigeren van je kind.
  3. Oudervervreemdend gedrag kan lastig te herkennen zijn. Verdiep je daarom in de verschillende gedragingen die de relatie tussen een kind en een ouder kunnen ondermijnen. Dr. Amy Baker heeft bijvoorbeeld 17 strategieën beschreven die in situaties van oudervervreemding kunnen voorkomen.
  4. Leg nauwkeurig en zo feitelijk mogelijk vast welke gedragingen je bij de andere ouder observeert, welke veranderingen je bij je kind waarneemt en wat je zelf hebt gedaan om de relatie met je kind en de relatie tussen beide ouders te bevorderen. Houd daarbij observatie en interpretatie zoveel mogelijk van elkaar gescheiden.
  5. Wees alert op signalen bij je kind en zoek passende hulp wanneer daarvoor aanleiding bestaat. Bij zorgen over de veiligheid of ontwikkeling van je kind kan ook een melding of adviesvraag bij Veilig Thuis aan de orde zijn. Wacht niet uitsluitend op zeer duidelijke kindsignalen: oudervervreemding kan zich geleidelijk ontwikkelen, terwijl de gevolgen voor het kind pas later duidelijk zichtbaar worden.
  6. Probeer de andere ouder zo min mogelijk ‘haakjes’ te geven waaraan nieuwe conflicten of oudervervreemdend gedrag kunnen worden opgehangen. Realiseer je tegelijkertijd dat je dit nooit volledig kunt voorkomen: zowel wat je doet als wat je niet doet, kan door de andere ouder worden aangegrepen.
  7. Blijft je kind ondanks de oudervervreemding redelijk in balans en lukt het jullie een goede band te behouden, dan is dat belangrijk. Het kan ook wijzen op veerkracht van je kind, waaraan een stabiele en beschikbare ouder een belangrijke bijdrage kan leveren.
  8. Blijf waar mogelijk inzetten op voldoende en betekenisvol contact met je kind. Dat kan ook betekenen dat juridische stappen nodig zijn wanneer contact structureel wordt belemmerd. In de rechtspraak zijn voorbeelden te vinden waarin ondanks ernstige conflicten tussen ouders een min of meer gelijkwaardige zorgverdeling is vastgesteld of de zorg uiteindelijk grotendeels bij de aanvankelijk afgewezen ouder is komen te liggen.
  9. Houd hoop en blijf, hoe moeilijk dat soms ook is, zo rustig, voorspelbaar en beschikbaar mogelijk voor je kind.

Eén van de belangrijkste dilemma’s bij oudervervreemding is of je de andere ouder wel of niet aanspreekt op het oudervervreemdende gedrag. Door concrete gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan voor je kind te benoemen, maak je duidelijk dat het gedrag niet ongezien blijft. Tegelijk geef je de andere ouder gelegenheid om te reageren, uitleg te geven of hierover in overleg te gaan.

Leidt dit niet tot een positieve gedragsverandering, dan wordt tegelijkertijd zichtbaar dat je hebt geprobeerd het probleem op een rustige en constructieve manier bespreekbaar te maken. De wijze en vooral de toon waarop je dit doet zijn daarom belangrijk.

Soms kan het verstandiger zijn om de andere ouder (nog) niet rechtstreeks te confronteren met wat je observeert. Bijvoorbeeld wanneer het gedrag zo ernstig is dat het beter via een hulpverleningsinstantie kan worden aangekaart. Ook horen we regelmatig van cliënten dat zij terughoudend zijn met het benoemen van gedrag, omdat zij vrezen dat hun kind daarvan in de andere thuissituatie de negatieve gevolgen ondervindt.

Of je ervoor kiest het gedrag wel of niet te benoemen, de gevolgen daarvan voor je kind zijn vooraf nooit volledig te voorspellen. Wat er ook gebeurt, wij raden aan rustig, feitelijk en consistent te blijven. Dat helpt ook wanneer later een hulpverlener of andere professional bij de situatie betrokken raakt.

Fase 2: Oudervervreemding heeft geleid tot ouderverstoting

In deze fase heeft de oudervervreemding ertoe geleid dat het kind steeds meer afstand heeft genomen van de andere ouder en deze gedeeltelijk of volledig afwijst. Het kind kan bijvoorbeeld aangeven de ouder niet meer te willen zien, contact weigeren, zich sterk negatief over de ouder uitlaten of nauwelijks nog ruimte ervaren voor positieve gevoelens over deze ouder.

Kenmerkend voor deze fase is dat de afwijzing inmiddels bij het kind zelf zichtbaar is geworden. Waar in Fase 1 de oudervervreemding al plaatsvindt terwijl het contact met de andere ouder nog bestaat, zien we in Fase 2 het mogelijke gevolg daarvan aan de zijde van het kind: ouderverstoting.

Niet ieder kind dat met oudervervreemding wordt geconfronteerd, verstoot de andere ouder. Kinderen kunnen ook weerstand bieden aan de beïnvloeding en de relatie met beide ouders behouden.

Ben je eenmaal verstoten en is er helemaal geen of slechts zeer sporadisch contact met je kind, dan helpen de volgende aandachtspunten je wellicht verder:

  1. De wettelijke plicht van de andere ouder om de band tussen het kind en jou te bevorderen, eindigt niet doordat het kind je verstoot. Er zijn professionals die daar anders tegenaan kijken, met name vanwege de zogenaamde ‘toenemende mondigheid’ van het kind naarmate het ouder wordt.
    Artikel 1:247 lid 3 BW:
    Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.
    Lees ook: Mijn puber heeft mij verstoten, wat kan ik juridisch nog?
  2. Publiceer nooit herkenbaar over de verstoting van je kind in de media of op sociale media. Rechters en de Raad voor de Kinderbescherming kunnen dit als schadelijk voor het kind beoordelen. Bovendien kan hierdoor de indruk ontstaan dat het kind publiekelijk wordt belast met het conflict of met de verantwoordelijkheid om het contact te herstellen.
  3. Publiceer ook niet herkenbaar over negatieve gedragingen van de andere ouder. Dit kan het herstel van de inter-ouderrelatie verder bemoeilijken. Afhankelijk van de inhoud en omstandigheden kan een publicatie bovendien juridisch onrechtmatig of zelfs strafbaar zijn.
  4. Analyseer goed welk gedrag instanties van jou verwachten en welke eventuele kritiek op jouw eigen handelen terecht is. Laat zien dat je in staat bent je eigen gedrag kritisch te bekijken en waar nodig duurzaam aan te passen. Dat kan ook van belang zijn wanneer later opnieuw om contact of omgang wordt verzocht.
  5. Blijf, voor zover de omstandigheden dit toelaten, op een rustige en niet-belastende manier beschikbaar voor je kind. Af en toe een kaartje of bericht kan laten zien dat de deur openblijft, ook wanneer daarop niet wordt gereageerd. Bewaar voor jezelf een feitelijk overzicht van de contactmomenten, maar maak het contact niet afhankelijk van dossieropbouw. Zoek niet zo vaak of indringend contact dat dit als belastend of disproportioneel kan worden ervaren.
  6. Zorg dat je voorbereid bent wanneer je kind zelf contact opneemt, ongeacht de aanleiding of intentie. Lees: Mijn puber heeft me verstoten, maar WhatsAppt af en toe, wat nu?
  7. Houd hoop, maar blijf ook realistisch. Zoek waar nodig hulp en zorg dat ouderverstoting niet je hele leven gaat beheersen. Blijf ruimte maken voor jezelf, andere relaties en dingen waaraan je plezier beleeft.

Wat doet de rechter met oudervervreemding en ouderverstoting?

De rechtspraak kent nog steeds geen eenduidige aanpak van oudervervreemding door een ouder en ouderverstoting door een kind.

Enerzijds zien we rechters die ingrijpen wanneer een ouder de relatie tussen het kind en de andere ouder ondermijnt of contactherstel belemmert. Daarbij worden uiteenlopende maatregelen ingezet, zoals dwangsommen, een ondertoezichtstelling en nader onderzoek of diagnostiek. Ook zijn er uitspraken waarin een ouder het gezag verliest, de andere ouder (mede) met het gezag wordt belast of het hoofdverblijf van het kind wordt gewijzigd. In uitzonderlijke situaties wordt een kind uit huis geplaatst en bij de andere ouder geplaatst. Ook een proceskostenveroordeling komt voor.

Anderzijds zien we – ondanks het advies van het Expertteam Ouderverstoting en uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zoals L.D. v. Polen, die ook terugkomt in de EHRM-thematische publicatie Rights of the child Contact rights – uitspraken waarin het uitblijven van contact uiteindelijk wordt geaccepteerd. Argumenten die daarbij terugkomen zijn bijvoorbeeld dat het kind geen contact wil, zich niet laat dwingen, dat het verder goed gaat met het kind, dat het hulpverleningsmoe is, dat dwang de weerstand verder zou vergroten of dat het kind eerst rust nodig heeft. Ook wordt soms de verwachting uitgesproken dat een kind op latere leeftijd zelf weer nieuwsgierig zal worden naar de andere ouder.

Juist hier wordt het onderscheid tussen oudervervreemding en ouderverstoting belangrijk. De wens van het kind om geen contact te hebben, zegt op zichzelf nog niets over de wijze waarop die wens tot stand is gekomen. Wanneer sprake is van ouderverstoting als gevolg van oudervervreemding, kan het enkele beroep op de weerstand van het kind er juist toe leiden dat het resultaat van de oudervervreemding bepalend wordt voor de beslissing.

In veel zaken wordt geprobeerd met hulpverlening verandering te bereiken. In de praktijk kunnen wachtlijsten ertoe leiden dat een interventie pas veel later begint. Ook is niet iedere vorm van hulpverlening geschikt om oudervervreemding te stoppen of contact te herstellen. Toch worden ouders regelmatig opnieuw naar dergelijke trajecten verwezen. Lees hierover ook de V&A: Helpt hulpverlening bij ouderverstoting?

Problematisch vinden wij ook uitspraken waarin toekomstig contactherstel feitelijk afhankelijk wordt gemaakt van vrijwillige hulpverlening, zonder duidelijke termijn, concrete doelen voor beide ouders of effectieve rechterlijke achtervang. Wanneer vervolgens geen resultaat wordt bereikt, bestaat het risico dat de ontstane situatie steeds meer als gegeven wordt beschouwd. Ook zijn er uitspraken waarin uiteindelijk geen omgang meer wordt vastgesteld omdat de ouder op afstand aangeeft de strijd niet langer vol te kunnen houden.

Daarmee ontstaat een fundamenteel probleem. Wanneer eenmaal is vastgesteld dat sprake is van oudervervreemding, zou niet alleen moeten worden gekeken naar de inmiddels ontstane weerstand van het kind. Ook moet worden beoordeeld welk gedrag tot die situatie heeft geleid, of de ouderlijke plicht om de band met de andere ouder te bevorderen daadwerkelijk is nageleefd en welke maatregelen nog mogelijk zijn om het familieleven van het kind en de andere ouder te beschermen.

Zolang die analyse en het daarop volgende handelen niet consequent plaatsvinden, zullen kinderen de relatie met een ouder blijven verliezen zonder dat eerst voldoende is vastgesteld dat daarvoor een gegronde reden bestaat. Ouderverstoting is dan niet alleen het gevolg van oudervervreemding, maar tegelijkertijd het argument om niet langer tegen die oudervervreemding op te treden.

In onze opiniesectie hebben we in meerdere artikelen uitgewerkt hoe een meer forensische benadering van feitenonderzoek in het familierecht eruit zou kunnen zien. Het daarin ontwikkelde kader MGFK is bedoeld om gedrag, feiten, alternatieve verklaringen en de uiteindelijke duiding beter van elkaar te scheiden. De verdere ontwikkeling en implementatie van zo’n kader is echter niet iets wat individuele ouders kunnen oplossen. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor de systeempartijen.

Zoals altijd in het familierecht is de uitkomst van een gerechtelijke procedure onzeker. Een procedure kan bijvoorbeeld gaan over het verkrijgen van meer zorg voor je kind, eenhoofdig gezag en/of de hoofdverblijfplaats. Deze mogelijkheden worden afzonderlijk besproken in onze kennisbank. In bepaalde situaties kan ook het zelf verzoeken van een ondertoezichtstelling een mogelijkheid zijn. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Den Haag, waarin de vader zonder advocaat procedeerde.

Een gerechtelijke procedure biedt echter geen garantie dat oudervervreemding stopt. Ook een wijziging van de zorgregeling, het gezag of de hoofdverblijfplaats neemt het onderliggende gedrag niet vanzelf weg. Bovendien kan een procedure de druk op een kind vergroten, bijvoorbeeld doordat het kind zelf naar zijn mening over het contact met de andere ouder wordt gevraagd.

Wanneer een ouder het oudervervreemdende gedrag niet beëindigt en de ouderlijke plichten niet gaat naleven, worden de beschikbare oplossingen steeds ingrijpender. Uiteindelijk kan zelfs de vraag ontstaan of het kind uit de invloedssfeer van deze ouder moet worden gehaald. Rechters gaan daar begrijpelijkerwijs niet lichtvaardig toe over. Het gevolg kan echter zijn dat oudervervreemding lange tijd kan voortduren voordat daadwerkelijk wordt ingegrepen. Dit is één van onze belangrijkste kritiekpunten op de huidige aanpak.

Niet alleen zoeken naar negatief gedrag

Het kan lastig zijn om oudervervreemdend gedrag vast te stellen. Veel gedragingen vinden buiten het zicht van derden plaats en afzonderlijke gebeurtenissen kunnen verschillende verklaringen hebben. Daarom vinden wij dat onderzoek niet uitsluitend gericht moet zijn op het aantonen van negatief gedrag.

Minstens zo relevant is de vraag welk positief gedrag wél aantoonbaar aanwezig is. Bevordert een ouder daadwerkelijk de band tussen het kind en de andere ouder? Wordt informatie gedeeld? Wordt de andere ouder geconsulteerd? Wordt contact ondersteund? Wordt uitvoering gegeven aan afspraken en rechterlijke beslissingen? Juist deze gedragingen sluiten aan bij de actieve ouderlijke plichten en zijn veel concreter te onderzoeken.

Wanneer in een procedure oudervervreemding, ouderverstoting, ouderonthechting of ouderafwijzing wordt gesteld, kan de rechter de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek en advies vragen. De vraagstelling ziet dan bijvoorbeeld op de zorgregeling, het gezag en wat voor het kind noodzakelijk is. Naar onze mening zou daarbij expliciet onderzocht moeten worden in hoeverre beide ouders hun positieve ouderlijke plichten daadwerkelijk naleven. Dat voorkomt dat het onderzoek uitsluitend wordt gestuurd door de inmiddels bij het kind zichtbare weerstand.

Wanneer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging kan een ondertoezichtstelling volgen. Een negatief ouderbeeld en ernstig contactverlies kunnen daarbij onderdeel zijn van de ontwikkelingsbedreiging. Een ondertoezichtstelling biedt vervolgens mogelijkheden om verandering af te dwingen, maar het resultaat is sterk afhankelijk van de wijze waarop de gecertificeerde instelling de ontwikkelingsbedreiging analyseert en de ouderlijke plichten vertaalt naar concrete doelen. Wachtlijsten en het uitblijven van tijdig handelen zijn juist bij voortgaande oudervervreemding problematisch: gedurende die tijd kan de bestaande situatie verder bestendigen.

Staat je kind al onder toezicht, dan zijn de mogelijkheden om zelf invloed uit te oefenen op het handelen van de gecertificeerde instelling beperkter. Lees hierover: De gezinsvoogd doet zijn werk niet, wat nu?

Welke maatregelen kan de rechter nemen?

Afhankelijk van de omstandigheden worden in de rechtspraak verschillende interventies gebruikt:

  • Onderzoek of diagnostiek van ouders, inter-oudergedrag en het gezinssysteem, bijvoorbeeld via het NIFP of andere deskundigen. Ook wordt soms de MASIC ingezet. Over de geschiktheid daarvan voor het onderzoeken van oudervervreemdend gedrag zijn wij kritisch.
  • Individuele of systeemgerichte hulpverlening voor ouders en/of kind.
  • Interventies gericht op herstel van het contact tussen het kind en de andere ouder.
  • Wijziging van de zorgregeling, het gezag of de hoofdverblijfplaats.
  • In uitzonderlijke situaties een tijdelijke of definitieve plaatsing buiten de invloedssfeer van de ouder bij wie het kind verblijft. Soms wordt het kind rechtstreeks bij de andere ouder geplaatst; soms wordt eerst gekozen voor een neutrale omgeving van waaruit het contact kan worden hersteld.
  • Dwangmiddelen, waaronder dwangsommen en in uitzonderlijke gevallen lijfsdwang, om naleving van een rechterlijke beslissing af te dwingen.

Bij de beoordeling kunnen bovendien omstandigheden een paradoxale rol spelen. Er zijn bijvoorbeeld zaken waarin een kind zo sterk is parentificeerd dat dit juist als contra-indicatie voor contactherstel met de andere ouder wordt gezien. Daarmee kan een gevolg van de bestaande gezinsdynamiek uiteindelijk een argument worden om die situatie te laten voortbestaan.

Welke maatregelen daadwerkelijk worden overwogen, hangt onder meer samen met de leeftijd en ontwikkeling van het kind, de aard en ernst van de weerstand tegen contact, eventueel wegloop- of fysiek verzet, eerder ingezette hulpverlening en andere omstandigheden die contactherstel of een wijziging van verblijf bemoeilijken.

Nationale overheden hebben een actieve inspanningsplicht om het gezins-, familie- en privéleven te beschermen. Inbreuken daarin moeten bovendien proportioneel zijn. Dit is de uitkomst van een hele serie van uitspraken door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, zoals deze uitspraak en deze uitspraak. Daarbij moet voortvarend worden gehandeld en moeten de ingezette middelen effectief zijn.

Ook de Nederlandse rechtspraak heeft hierin een verantwoordelijkheid. De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter bij niet-nakoming van een omgangsregeling alle in het gegeven geval passende maatregelen moet nemen om de ouder zonder omgang alsnog in staat te stellen zijn omgangsrecht uit te oefenen. Die lijn is nadien opnieuw bevestigd.

Juist tegen deze achtergrond zijn wij kritisch op zaken waarin jarenlange gerechtelijke en hulpverleningstrajecten uiteindelijk eindigen met de hoop dat het kind later zelf weer contact zal zoeken, dat een ouder alsnog tot inzicht zal komen of dat rust uiteindelijk vanzelf tot toenadering zal leiden. In deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam werd bijvoorbeeld overwogen dat de kinderen mogelijk voor contactherstel zouden openstaan zodra zij geen druk meer zouden ervaren vanuit instanties en hun ouders.

In een andere zaak verloor een vader zelfs het ouderlijk gezag mede tegen de achtergrond dat zijn voortdurende juridische inzet voor contactherstel volgens Gerechtshof Arnhem-Leeuwarde belastend was geworden voor zijn zoon van 14 jaar. Dit ondanks dat hij eerder van andere rechters steeds gelijk had gekregen. Dergelijke uitkomsten roepen de fundamentele vraag op wanneer het systeem nog probeert oudervervreemding te stoppen en wanneer het feitelijk capituleert voor de inmiddels ontstane ouderverstoting. Lees in dit kader ook de opinie: Bij ouderverstoting steeds vroegere systeemcapitulatie.

Onvoldoende onderzoek naar (inter-)ouderlijk gedrag

Het spreekt voor zich dat de rechters in de meeste gevallen niet zelfstandig tot dit soort beslissingen komen. De Raad voor de Kinderbescherming, de Gecertificeerde Instellingen bij ondertoezichtstellingen en soms ook bijzondere curatoren, hebben hierin een belangrijk aandeel.

Zo vallen bijvoorbeeld de neutrale of ronduit contraproductieve standpunten op, zoals dat "wordt gehoopt dat een ouder alsnog meewerkt" of "dat het kind tijd moet worden gegeven om..". Let wel, terwijl het kind veelal volledige onder invloed staat/in de macht is van de ouder bij wie het exclusief verblijft: een ouder waarvan inmiddels is vastgesteld (of zou kunnen worden vastgesteld) dat deze zich niet/onvoldoende heeft gehouden/houdt aan de plicht om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen en emotionele toestemming te geven aan het kind om die band te hebben en houden.

Hiermee wordt het signaal gegeven dat de verblijfsouder nog als 'goed-genoeg' wordt beschouwd omdat er geen zorgen bestaan over de dagelijkse verzorging, terwijl onvoldoende wordt meegewogen of diezelfde ouder de relatie van het kind met de andere ouder daadwerkelijk bevordert. Lees ook de opinie: Maak de band-bevorder-plicht onderdeel van de veertien voorwaarden voor goed-genoeg-ouderschap!

Onvoldoende toetsing (inter-)ouderlijk gedrag

Wanneer ouderverstoting wordt gesteld, zou je verwachten dat ook systematisch wordt onderzocht welk gedrag van de ouders aan de ontstane situatie heeft bijgedragen. De wet biedt daarvoor concrete aanknopingspunten. Denk aan de ouderschapsnormen de informatieplicht, consultatieplicht en (vervangende) toestemming-vooraf-plicht, en in het bijzonder de plicht om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.

Daarbij zou het onderzoek zich naar onze mening niet alleen moeten richten op de vraag of negatief of oudervervreemdend gedrag kan worden vastgesteld. Minstens zo belangrijk is de vraag welk positief gedrag een ouder aantoonbaar heeft laten zien om aan deze verplichtingen te voldoen. Wordt de andere ouder geïnformeerd en geconsulteerd? Wordt contact daadwerkelijk ondersteund? Krijgt het kind emotionele toestemming om van de andere ouder te houden en met deze een relatie te hebben? En wordt uitvoering gegeven aan afspraken en rechterlijke beslissingen?

Dat maakt de beoordeling bovendien minder afhankelijk van moeilijk vast te stellen intenties. De vraag is dan niet alleen waarom een ouder iets heeft gedaan of nagelaten, maar veel concreter: welke ouderlijke verplichting gold, welk gedrag mocht op grond daarvan worden verwacht en wat heeft de ouder daadwerkelijk gedaan?

Juist wanneer bij het kind inmiddels weerstand tegen of afwijzing van de andere ouder zichtbaar is, is deze toetsing essentieel. Anders bestaat het risico dat vooral het inmiddels ontstane gedrag van het kind wordt beoordeeld, terwijl onvoldoende wordt onderzocht welk ouderlijk gedrag daaraan voorafging of dit in stand houdt.

Oplossing (ten onrechte) zoeken in hulpverlening

In zaken waarin oudervervreemding speelt, wordt regelmatig geprobeerd de situatie met hulpverlening te verbeteren. Het probleem is dat hulpverlening daarbij regelmatig wordt ingezet zonder dat eerst voldoende is vastgesteld welk gedrag de situatie veroorzaakt of in stand houdt, welke ouderlijke plichten niet worden nageleefd en bij wie verandering noodzakelijk is.

Daarmee dreigt hulpverlening onderzoek, normstelling en handhaving te vervangen. Ouders en kinderen kunnen vervolgens langdurige trajecten doorlopen, terwijl onvoldoende duidelijk is welk concreet probleem met die hulpverlening moet worden opgelost en aan welk resultaat wordt gewerkt.

Dat is in het bijzonder problematisch wanneer interventies worden ingezet die uitgaan van een wederzijds communicatie- of samenwerkingsprobleem, terwijl eerst onderzocht zou moeten worden of daarvan daadwerkelijk sprake is. Denk bijvoorbeeld aan Parallel Ouderschap of Ouderschapsbemiddeling. Wanneer één ouder de relatie tussen het kind en de andere ouder ondermijnt, kan een interventie die het probleem primair als een gezamenlijk ouderconflict benadert de onderliggende dynamiek juist buiten beeld houden of versterken.

Hulpverlening kan noodzakelijk zijn, maar kan feitenonderzoek, normstelling en waar nodig handhaving niet vervangen. Eerst moet duidelijk zijn wat er gebeurt en welk gedrag moet veranderen; daarna kan worden bepaald welke interventie daarbij past.

Een gebrek aan uniformiteit/rechtszekerheid

Dat een andere aanpak binnen het bestaande juridische kader mogelijk is, blijkt uit verschillende uitspraken waarin rechters wél nadrukkelijk betekenis geven aan ouderlijk gedrag, actieve ouderlijke plichten en de noodzaak van daadwerkelijk contactherstel. Bijvoorbeeld: de rechter van Rechtbank Limburg in deze uitspraak, de rechter van Rechtbank Rotterdam in deze uitspraak en de rechter van Rechtbank Midden-Nederland in deze uitspraak.

De rechtspraak blijft daarmee sterk uiteenlopen, terwijl juist op dit terrein rechtszekerheid van groot belang is. Lees hierover ook onze opinie: Familierechters, kom met één aanpak van oudervervreemding! Die rechtszekerheid heeft bovendien een preventieve functie. Wanneer oudervervreemdend gedrag in de ene zaak tot stevig rechterlijk ingrijpen leidt, maar in een andere zaak uiteindelijk wordt gevolgd door acceptatie van het ontstane contactverlies, ontstaat geen duidelijke en geloofwaardige norm. Integendeel: daarmee kan in de praktijk het beeld ontstaan dat het langdurig frustreren van de relatie tussen het kind en de andere ouder uiteindelijk succesvol kan zijn.

Dat is des te problematischer omdat oudervervreemding, wanneer daarvan na onderzoek daadwerkelijk sprake blijkt te zijn, kindermishandeling en inter-ouder strijdgedrag is. Daartegenover hoort geen systeem te staan waarin tijdsverloop en de daardoor steeds verder bestendigde situatie uiteindelijk in het voordeel werken van de ouder die deze situatie veroorzaakt of in stand houdt.

Een rechtsstelsel dat oudervervreemding wil tegengaan, moet daarom niet alleen kunnen ingrijpen, maar ook voorspelbaar maken dát er wordt ingegrepen wanneer de daarvoor geldende criteria zijn vastgesteld.

Onvoldoende inzet van beschikbare middelen

De rechter staat in zaken waarin oudervervreemding speelt niet met lege handen. De wet biedt verschillende mogelijkheden om nader onderzoek te laten verrichten, gedrag te normeren en – waar nodig – naleving van rechterlijke beslissingen af te dwingen. Zo kan onderzoek of diagnostiek worden ingezet naar de ouders, de inter-ouderdynamiek en het gezinssysteem, bijvoorbeeld via diagnostiek door Fivoor of het NIFP. Ook kan worden gewerkt met begeleide omgang, kunnen zorg- of gezagsbeslissingen worden gewijzigd en bestaan verschillende dwamgmiddelen. Daarnaast kan de rechter gebruikmaken van rechterlijke drang, bijvoorbeeld door in een beslissing duidelijk te maken welk concreet gedrag van een ouder wordt verwacht en welke gevolgen het uitblijven daarvan kan hebben.

Het probleem is daarom niet uitsluitend dat instrumenten ontbreken. Minstens zo belangrijk is wanneer welk middel wordt ingezet, op basis van welke vastgestelde feiten, tegen welk concreet gedrag de interventie zich richt en welk resultaat binnen welke termijn moet worden bereikt. Juist daarin zien we in de rechtspraak weinig uniformiteit.

Daar komt bij dat sommige beschikbare routes in de praktijk juist onder druk staan. Zo is het NIFP bezig met een afbouw van familierechtelijke rapportages, terwijl onafhankelijk deskundigenonderzoek juist in dit type zaken een doorslaggevende bijdrage kan leveren aan het onderscheiden van feiten, gedrag, onderliggende problematiek en mogelijke verklaringen. Lees hierover ook onze opinie: Waarom niet (meer) NIFP bij 'complexe' scheidingen?

Tegelijkertijd ontbreken juist bij de meest ingrijpende interventies soms de middelen om een rechterlijke beslissing verantwoord uit te voeren. Wanneer bijvoorbeeld wordt besloten dat een kind uit de invloedssfeer van een ouder moet worden gehaald en bij de andere ouder wordt geplaatst, zou je verwachten dat gespecialiseerde professionals beschikbaar zijn om die overgang en het contactherstel te begeleiden. Een dergelijke structureel beschikbare gespecialiseerde voorziening of gevalideerd programma ontbreekt vooralsnog echter.

De belangrijkste verbeterpunten

Veel van wat volgens ons moet veranderen, vraagt niet om nieuwe wetgeving. De wettelijke normen en een groot deel van de benodigde rechterlijke bevoegdheden bestaan al. Het gaat vooral om een meer consequente toepassing daarvan.

  1. Toets de positieve ouderlijke plichten systematisch: Ouders zouden individueel moeten worden gehouden aan hun wettelijke verplichtingen uit artikel 1:247 BW, de ouderschapsnormen en de overige actieve inspanningsplichten. Daarbij moet niet alleen worden onderzocht welk negatief gedrag heeft plaatsgevonden, maar ook wat iedere ouder aantoonbaar heeft gedaan om de relatie van het kind met de andere ouder te bevorderen en de inter-ouderrelatie tot rust te brengen.
  2. Geef feitenonderzoek een herkenbare plaats vóór de duiding en interventie: Eerst moet zo zorgvuldig mogelijk worden vastgesteld welk gedrag heeft plaatsgevonden, welke informatie daarvoor beschikbaar is en welke alternatieve verklaringen bestaan. Pas daarna kan worden beoordeeld of sprake is van oudervervreemding en welke interventie noodzakelijk is. Hulpverlening mag die feitelijke analyse niet vervangen.
  3. Koppel interventies aan concrete doelen en termijnen: Wanneer hulpverlening, onderzoek of een andere interventie wordt ingezet, moet duidelijk zijn welk gedrag moet veranderen, bij wie, binnen welke termijn en wat er gebeurt wanneer die verandering uitblijft. Daarmee wordt voorkomen dat opeenvolgende trajecten vooral tijd kosten terwijl het contactverlies verder bestendigt.
  4. Zorg voor een uniforme rechterlijke aanpak: Vergelijkbare situaties zouden niet wezenlijk anders moeten worden behandeld afhankelijk van de rechtbank of individuele rechter. Wanneer oudervervreemding na onderzoek is vastgesteld, moet duidelijk zijn welke maatregelen beschikbaar zijn en wanneer opschaling noodzakelijk is. Uiteindelijk gaat het om een vrij eenvoudige volgorde: eerst feiten vaststellen, vervolgens ouderlijk gedrag aan de geldende verplichtingen toetsen, daarna kwalificeren en pas vervolgens bepalen welke interventie nodig is.

We zijn op deze pagina kritisch op de wijze waarop de rechtspraak met oudervervreemding en ouderverstoting omgaat. Maar er zijn gelukkig ook rechters die laten zien dat het anders kan. Rechters die ouderlijk gedrag daadwerkelijk onderzoeken, wettelijke ouderlijke plichten serieus nemen en bereid zijn in te grijpen wanneer de relatie tussen een kind en een ouder wordt ondermijnd.

Die uitspraken verdienen wat ons betreft ook aandacht. Niet omdat iedere zaak dezelfde oplossing vraagt, maar omdat deze rechters laten zien wat binnen het bestaande recht mogelijk is wanneer de bescherming van de band van het kind met beide ouders daadwerkelijk als uitgangspunt wordt genomen.

Daarom hieronder een spreekwoordelijk bloemetje voor een aantal rechters die in onze ogen het verschil maken met uitspraken die richting geven aan de praktijk.

  1. Mw. mr. M.A.A.T. Engbers, Rechtbank Midden-Nederland
  2. Dhr. mr. R.M. van Diepen, Rechtbank Noord-Holland
  3. Dhr. mr. P.H.J. Frénay, Rechtbank Limburg
  4. Mw. mr. H.J. Wieman-Bart, Gerechtshof Den Haag (voorheen Rechtbank Rotterdam)
  5. Dhr. mr. C.A.R.M. van Leuven, Rechtbank Zeeland-West-Brabant (voorheen Gerechtshof Den Bosch)

Wil je je verder juridisch verdiepen? Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en andere Europese instellingen publiceren naast rechtspraak ook handboeken, guides en thematische overzichten waarin de relevante rechtspraak wordt samengebracht. Deze documenten zijn zeer lezenswaardig en bieden een goed vertrekpunt voor verdere verdieping in artikel 8 EVRM, kinderrechten en het recht op contact tussen kind en ouder.

Let op!
Zijn er – ongeprovoceerd door de andere ouder – zaken tussen je kind en jou voorgevallen die een volledige verstoting proportioneel maken? Stel in gerechtelijke, jeugdbeschermings- en hulpverleningsprocessen dan niet dat de afwijzing door je kind uitsluitend het gevolg is van oudervervreemding. Het leidt er o.i. mogelijk toe dat je de verstoting verdiept. Het ontkennen van eigen schadelijk gedrag is nooit de juiste weg om te bewandelen. Wat wel de juiste weg is lees je hier.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.
Lees hierna onze inzichten en voorbeelden van rechterlijke uitspraken in vergelijkbare situaties. Is een rechtszaak onvermijdelijk? Ontdek ook onze kostenbesparende 'litigation support'.

Lees hierna verder ↴

Inzichten

  1. Er lijkt een verandering gaande in de rechtspraak waarin oudervervreemding vaker als ‘een vorm van kindermishandeling’ wordt aangemerkt.
  2. Als de vervreemder ook de ouder met het hoofdverblijf is (meestal de moeder), zal niet snel tot een wijziging in het gezag worden overgegaan als er nog een kans is dat de hulpverlening iets bereikt.
  3. Er is ambivalentie in de rechtspraak rondom de stelligheid waarmee de vervreemder wordt gewezen op de wettelijke plicht om het contact tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.
  4. Niet op tijd handelen kan ertoe leiden dat er een ‘voldongen feit’ ontstaat, waarbij een eventueel contact tussen de verstoten ouder en het kind op de lange baan wordt geschoven en toch weer afhankelijk wordt gesteld van de steun van de vervreemder of het initiatief van het kind.
  • Hoe aannemelijk het is dat de situatie is veroorzaakt in het kader van een vervreemdingscampagne door een vervreemder.
  • In hoeverre er contra-indicaties zijn bij de verstoten ouder.
  • In hoeverre er contra-indicaties zijn in de band tussen het kind en de verstoten ouder.
  • Hoe haalbaar de wens-doelen van de verstoten ouder zijn in relatie tot de ‘psychologische draagkracht’ van het kind en de vervreemder.
  • In hoeverre er al in een eerder stadium hulpverlening is ingezet.
  • De leeftijd van het kind.

Wat thans nog onderbelicht blijft in de gemiddelde rechterlijke beoordeling is in hoeverre de ouder bij wie het kind na verstoting verblijft zich (ruimhartig) heeft gehouden en nog houdt aan de verplichtingen die komen met de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dit omvat onder andere de plicht om de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, de informatie- en consultatieplicht en de plicht om een normale ouderschapsrelatie met de andere ouder te bewerkstelligen. Geen enkele ouder heeft het recht zich aan deze verplichtingen te onttrekken zonder rechterlijke toestemming. Dit wel doen is feitelijk ‘eigenrichting’, echter dit wordt door de rechtspraak onvoldoende (h)erkend.

Lees hierna verder ↴

Rechtspraak

Je leest een geactualiseerde selectie. Overweeg je juridische stappen na het lezen hiervan? Lees eerst hoe je een traject slim instapt.

Rechter handelt wel bij oudervervreemding

Een moeder gaat in hoger beroep tegen de beslissing van Rechtbank Limburg om haar twee kinderen van ongeveer 10 en 8 jaar uit huis te plaatsen bij de vader. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch laat die beslissing in stand, omdat de kinderen al jarenlang klem zitten in de strijd tussen de ouders en het contact met de vader vooral vanuit de situatie bij de moeder niet van de grond kwam. Volgens het hof is de plaatsing bij de vader nu nodig om de kinderen rust te geven, hun ontwikkeling te beschermen en ruimte te maken voor een eigen band met beide ouders. Het hof wijst ook het verzoek van de moeder af om extra onderzoek of forensische mediation te laten doen, omdat de kinderen volgens het hof niet langer kunnen wachten op duidelijkheid. De voorlopige verzoeken van de moeder, zoals terugplaatsing en extra regelingen, worden ook afgewezen.

Volledige uitspraak

Een moeder gaat in hoger beroep tegen de beslissingen van Rechtbank Overijssel om haar twee kinderen, een peuter van ongeveer 2 jaar en een kleuter van ongeveer 6 jaar, onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat die beslissingen in stand, omdat de moeder begin mei 2026 met de kinderen naar een onbekende plek vertrok, zij niet meer naar school gingen en hulpverleners geen zicht meer hadden op hun veiligheid. De jongste is voorlopig bij de vader geplaatst en de oudste in een netwerkpleeggezin; het hof ziet nu geen reden om dat terug te draaien. Wel benadrukt het hof dat snel onafhankelijk onderzoek nodig is naar de zorgelijke uitlatingen van het jongste kind en naar de invloed van beide ouders. Ook houdt het hof de mogelijkheid open dat eerst een neutrale tussenstap nodig is voordat het jongste kind definitief bij de vader wordt geplaatst.

Volledige uitspraak

Een vader start een procedure bij Rechtbank Rotterdam met als doel afspraken te krijgen over het gezag en het contact met zijn kind. De rechter ziet dat de ouders nog steeds zwaar met elkaar in conflict zijn en dat eerdere hulp, waaronder het SCHIP-traject, niet van de grond is gekomen. Daarom komt er nog geen definitieve beslissing: de Raad voor de Kinderbescherming moet eerst onderzoek doen naar het gezag en welke omgang voor het kind passend en veilig is. Tot die tijd blijft er wel contact: de vader ziet het kind iedere zondag van 15.00 tot 17.00 uur, zonder begeleiding van de moeder en niet meer in haar woning. De zaak wordt daarna aangehouden tot 1 juni 2027, mede omdat het raadsonderzoek pas na een lange wachttijd kan starten.

Volledige uitspraak

De Raad voor de Kinderbescherming start een procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant met als doel een ondertoezichtstelling voor een meisje van ongeveer 9 jaar. De rechter vindt de situatie ernstig, omdat zij al lange tijd nauwelijks contact heeft met haar vader terwijl zij dat wel graag wil, en de ouders totaal niet samenwerken. Vrijwillige hulp heeft volgens de rechter onvoldoende gewerkt; er is regie van een jeugdbeschermer nodig om contactherstel, betere oudercommunicatie en schoolgang aan te pakken. Daarom stelt de kinderrechter het kind van 28 mei 2026 tot 28 mei 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant.

Volledige uitspraak

De Raad voor de Kinderbescherming start een procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant met als doel twee kinderen van ongeveer 16 en 14 jaar onder toezicht te stellen. De rechter vindt dat hun ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door een langdurige en heftige strijd tussen de ouders, waardoor vooral de dochter veel spanning en emotionele klachten ervaart. De zoon lijkt klem te zitten tussen beide ouders en draagt boodschappen over, terwijl dat niet past bij een kind van zijn leeftijd. Omdat vrijwillige hulp onvoldoende heeft gewerkt, stelt de rechter beide kinderen voor één jaar onder toezicht van Jeugdbescherming Brabant. In die periode moet worden gewerkt aan rust tussen de ouders, steun voor de kinderen en mogelijk voorzichtig herstel van contact tussen de dochter en de vader.

Volledige uitspraak

Rechter handelt niet bij oudervervreemding

Een moeder start een procedure bij Rechtbank Overijssel met als doel het gezamenlijk gezag over haar drie kinderen te beëindigen en zelf alleen het gezag te krijgen. Het gaat om drie kinderen van ongeveer 15, 13 en 12 jaar, die veel spanning ervaren bij het idee dat hun vader na een eventueel overlijden van de moeder alleen over hen zou beslissen. De rechter vindt niet dat de ouders vastlopen in gewone beslissingen, maar wel dat deze specifieke angst de ontwikkeling van de kinderen belemmert en daarom ingrijpen nodig is. Rechtbank Overijssel geeft de moeder daarom per direct het eenhoofdig gezag, zodat er duidelijkheid komt en zij in haar testament de gewenste voogdijregeling kan laten werken.

Volledige uitspraak

Een moeder gaat in hoger beroep tegen de beslissing van Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, om het hoofdverblijf van haar 14-jarige zoon bij de vader te bepalen. Gerechtshof Amsterdam laat die beslissing in stand, omdat de jongen al sinds juli 2025 bij de vader woont, daar rust lijkt te hebben, het goed doet op school en zelf duidelijk zegt geen contact met de moeder te willen. Het hof vindt die afwijzing van de moeder zorgelijk, maar acht gedwongen terugplaatsing of direct contactherstel nu te riskant voor de jongen. Ook blijft de toestemming voor zijn school in de woonplaats van de vader gelden, en het hof wijst het verzoek van de moeder af om andere hulpverlening of een neutrale plaatsing af te dwingen. Wel benadrukt het hof dat beide ouders moeten stoppen met gedrag dat de kinderen verder klem zet, en dat zij ook het contact tussen broer en zus actief moeten ondersteunen.

Volledige uitspraak

Een vader start een procedure bij Rechtbank Den Haag met als doel een voorlopige zorgregeling te krijgen voor zijn zoon van ongeveer 5 jaar. De vader wilde dat zijn zoon om het weekend zonder begeleiding bij hem zou verblijven, maar het kind heeft hem al ruim een jaar niet fysiek gezien. De rechter vindt dat te vroeg, omdat het kind getuige is geweest van ruzies en geweld en er signalen zijn van trauma die eerst goed moeten worden onderzocht en behandeld. Daarom komt er voorlopig alleen een wekelijkse videobelafspraak, en worden de ouders verwezen naar hulpverlening voor ouderschapsbegeleiding en begeleid contactherstel. De rechtbank wil dat de hulpverlening strakker wordt aangestuurd, zodat later zonder onnodige vertraging kan worden gewerkt aan echt contact tussen vader en zoon.

Volledige uitspraak

Een vader start een procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant met als doel het contact met zijn dochter van 12 weer op te bouwen, maar trekt dat verzoek later in. De moeder vraagt daarna om het contact helemaal stop te zetten, omdat de dochter al jaren geen contact wil en daar ernstige bezwaren tegen heeft. De rechter volgt dat verzoek: de vader krijgt voor onbepaalde tijd geen contact meer, omdat afdwingen nu niet in het belang van het kind is. Wel moet de moeder de vader elk kwartaal per e-mail feitelijke informatie geven over school, gezondheid, ontwikkeling en activiteiten van hun dochter. Het eerdere hulpverleningstraject stopt, omdat het vooral was gericht op contactherstel en die route nu is afgesloten.

Volledige uitspraak

Stichting Jeugdbescherming Brabant vraagt bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant om verlenging van de ondertoezichtstelling van een jongen van ongeveer 11 jaar. De jongen woont bij de moeder en heeft sinds december 2024 geen contact meer met de vader; pogingen tot contactherstel gaven hem zoveel druk dat hij boos, onrustig en wantrouwig tegenover hulpverlening werd. De rechter vindt dat zijn ontwikkeling nog steeds ernstig wordt bedreigd, mede omdat hij zich niet gehoord voelt en daardoor niet toekomt aan wat hij op deze leeftijd nodig heeft. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 15 mei 2027, maar met een duidelijke koerswijziging: er wordt voorlopig niet meer gewerkt aan contactherstel met de vader. De focus komt te liggen op rust, traumaverwerking, passende individuele hulp voor het kind en begeleiding van de vader in zijn rol op afstand.

Volledige uitspraak

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees hierna verder ↴

Meer verdiepen?