← Terug
/ Kennisbank /Omgang/Omgang hervatten/Ouderverstoting; wat kan ik er aan doen?

Ouderverstoting Special

Bijgewerkt: 16 januari 2026

Houdt je ex-partner opzettelijk de inter-ouderrelatie onrustig en wordt jullie kind ingezet voor de strijd? Dan kan dit ertoe leiden dat je kind – uit zelfbehoud – jou op termijn volledig verstoot. Dit pijnlijke proces heet ouderverstoting. Maar let op: ouderverstoting is bijna altijd een symptoom. De échte oorzaak – en dus de sleutel tot de oplossing – is het gedrag van de andere ouder. Dit gedrag noemen we oudervervreemding.

Zit je nu in een acute situatie waarin de omgang niet meer (volledig) wordt nagekomen, blijf rustig. Niet-nakomingen kunnen een teken zijn van een lopende vervreemdingscampagne (Fase 1) of een voltooide campagne (Fase 2). Dit onderscheid is niet altijd eenvoudig te maken. Ook is er  oudervervreemding bij zeer jonge kinderen 0-3 jaar (Fase 0). Hierbij worden gemiddeld genomen andere oudervervreemdingstactieken ingezet. Voor deze drie situaties wordt hierna uitgelegd wat je kunt doen. Ook is er een uitgebreide sectie over rechtspraak. Hierin wordt uitgelegd hoe de rechtspraak hiermee omgaat en kun je ook voorbeelduitspraken lezen. Wil je hulp? Vraag een intake.

Ouderverstoting is de beslissing door het kind om een ouder (steeds meer/volledig) af te wijzen waarbij de (voortschrijdende) afwijzing wortelt in oudervervreemdend gedrag door de andere ouder. Anders gezegd; contactverlies met één ouder door toedoen van de andere ouder, zonder dat er voor dat contactverlies een objectieve reden is.

Dat een kind geen contact meer wil met de andere ouder betekent niet automatisch dat dit het resultaat is van oudervervreemding. Het gedrag van het kind kan verklaarbaar zijn uit het gedrag van de ouder naar het kind. Dan is er dus geen sprake van ouderverstoting. Een voorbeeld van zo een zaak lees je hier.

Er zijn echter ook veel voorbeelden waarbij de afwijzing wél wordt toegerekend aan de ouder die (inmiddels) de hoofdloyaliteit geniet. Kenmerkend in deze zaken is dat deze ouder zich niet (meer) houdt aan de plicht om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. Lees voor een overzicht het rechtspraakoverzicht onderaan deze pagina.

Houdt een ouder zich niet of onvoldoende aan deze ouderlijke plicht en kan deze ook niet aantonen dat deze dit wel heeft gedaan, dan moet ons inziens voorzichtigheidshalve worden aangenomen dat de verstoting door het kind het resultaat is van oudervervreemding hetgeen een vorm van kindermishandeling en tevens een vorm van ex-partnerstrijd is (wat eveneens een vorm van kindermishandeling is).

In de praktijk zien we zo goed als altijd combinaties met de niet-naleving van de andere ouderlijke plichten, zoals de informatieplicht, de consultatieplicht, de plicht om een neutrale ouderschapsrelatie te bewerkstelligen én de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht. Het zijn situaties waarin coalitie-ouder veelvuldig zelfbepalend handelt. Het argument dat daartoe wordt aangevoerd is veelal dat het kind dit zou willen of dat dit in het belang van het kind zou zijn. Dit maakt deze situaties o.i. vrij eenvoudig te herkennen.

Fase 1: Er is een vervreemdingscampagne (gestart)

Deze fase kenmerkt zich veelal door vele vormen van loyaliteitsbeïnvloeding. Dit kan zowel plaatsvinden in de vorm van:

  • Negatief gedrag, zoals: kwaadspreken, het veroorzaken van incidenten, ‘meestribbelen’ of het destabiliseren van jouw thuissituatie.
  • Positief gedrag naar het kind, zoals: overdreven aanwezigheid, disproportionele verantwoordelijkheden of koopgedrag.

Als je te maken hebt met oudervervreemding, lees dan onze tips:

  1. Heb je nog contact met je kind, blijf dan inzetten op het hebben van waardevolle hechtingsmomenten. Werk consistent aan een fijne warme band met je kind. Laat je niet afleiden door de belemmeringen die de vervreemder blijft opwerpen.
  2. Zoek (pedagogische) hulp bij het zelf aanleren van positief gedrag om het verstotingsgedrag van je kind op een juiste wijze op te vangen en om te buigen. Het gaat dus om scholing van jezelf en niet om direct het gedrag van je kind te corrigeren.
  3. Vervreemdingsgedrag kan heel lastig te detecteren zijn. School jezelf daarom in het herkennen van de verschillende vormen. Dr. Amy Baker, een internationaal erkende autoriteit op het gebied van ouderverstoting, heeft op zeer heldere wijze 17 verschillende strategieën (link opent bestand) beschreven die vervreemders inzetten.
  4. Administreer nauwgezet welk schadelijke gedrag je observeert bij zowel de andere ouder en je kind en neem passende positieve acties.
  5. Wees zeer beducht op kindsignalen en doe zo nodig een melding bij Veilig Thuis. Houd er wel rekening mee dat Veilig Thuis niet altijd iets wil doen met de melding als er nog ’te weinig’ kindsignalen zijn. Veel kinderen zitten in wat een ‘voortschrijdend ongeluk’ kan worden genoemd, waarin in kleine stapjes het loyaliteitsconflict in het kind steeds erger wordt.
  6. Geef de vervreemder geen ‘haakjes’ waar loyaliteitsbeïnvloedend gedrag aan kan worden opgehangen. Dit is overigens praktisch onmogelijk. De loyaliteitsbeïnvloeding kan namelijk zowel zoor acties als inacties worden gecreëerd.
  7. Als je kind ondanks de negatieve invloed van de vervreemder toch redelijk in balans is, dan bereik je iets positiefs. Ook getuigt het van veerkracht bij je kind, waar je waarschijnlijk een positieve bijdrage aan levert.
  8. Blijf (ook juridisch) inzetten op voldoende omgang met je kind. In meerdere rechterlijke uitspraken is ondanks een ernstige vechtscheiding tussen de ouders toch een (min of meer) gelijkwaardige zorgverdeling vastgesteld of is de zorg (uiteindelijk) zo goed als volledig naar de verstoten ouder gegaan.
  9. Houd hoop. Blijf positief.

Eén van de belangrijkste dilemma’s bij oudervervreemding is of de andere ouder wel of niet te confronteren met het vervreemdingsgedrag. Door negatieve gedragingen en de eventuele invloed daarvan op je kind te blijven benoemen, weet de vervreemder dat het gedrag niet ongezien blijft. Het geeft de vervreemder gelegenheid om te reageren of het biedt een gelegenheid om in overleg te gaan. Leidt het niet tot een positieve gedragsverandering, dan bouw je zo automatisch een dossier op van welwillend en welhandelend gedrag van jouw zijde, gevolgd door niet-welwillend gedrag van de andere zijde. De wijze en toon waarop je dit doet is erg belangrijk.

Soms echter kan het verstandiger zijn om de vervreemder (nog) niet te confronteren met het geobserveerde gedrag of de effecten die dit gedrag heeft. Bijvoorbeeld als dit zo aantoonbaar ernstig is, dat dit beter via een hulpverleningsinstantie als Veilig Thuis kan worden aangekaart. Daarnaast krijgen we regelmatig de reactie van cliënten dat ze de confrontatie lastig vinden, omdat het ertoe leidt dat het kind in de thuissituatie van de vervreemder de negatieve gevolgen ervan ondervindt.

Kies je voor benoemen of juist niet benoemen wat je observeert, dan zijn de effecten (voor je kind) nooit te voorspellen. Wat er ook gebeurt, wij raden aan rustig en consistent te blijven. Dit brengt je uiteindelijk het verst, ook als er bijvoorbeeld een hulpverlener is betrokken.

Fase 2: De vervreemdingscampagne is voltooid

Cliënten die verstoten zijn rapporteren dat ze al geruime tijd de effecten voelden van het vervreemdingsgedrag in hun kind. Dit heeft zich dan vertaald in bijvoorbeeld: afstand nemen door het kind, een disproportioneel grote mond of toenemende minachtig of respect voor de ouder. Een voltooide vervreemdingscampagne betekent dat het kind ‘zelf met de voeten stemt’ en niet meer ‘wil’. Voor de duidelijkheid, niet elke vervreemdingscampagne is succesvol. Er zijn ook kinderen die weerstand blijven bieden tegen de vervreemdingsdruk.

Ben je eenmaal verstoten en is er helemaal geen of slechts zeer sporadisch contact, dan helpt dit je wellicht verder:

  1. De wettelijke plicht van de vervreemder om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen stopt niet met de verstoting door het kind. Er zijn professionals die vinden dat dit wel stopt, namelijk gezien de zogenaamde ’toenemende mondigheid’ van het kind (naarmate deze ouder wordt).
    Artikel 1:247 lid 3 BW:
    Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.
    Lees ook: Mijn puber heeft mij verstoten, wat kan ik juridisch nog?
  2. Publiceer nooit herkenbaar over je verstoting in de media of op social media. Zowel rechters als de Raad voor de Kinderbescherming zien dit gedrag als schadelijk voor je kind, omdat je je kind door het publieke karakter schaadt. Ook wekt dit de indruk dat je je kind belast met de verantwoordelijkheid om het contact met jou te herstellen. Daarmee plaats je je kind tussen jou en je ex-partner in.
  3. Publiceer niet publiekelijk en herkenbaar over negatieve gedragingen van je ex-partner. Naast dat dit door instanties als belemmerend voor een herstel van de inter-ouderrelatie wordt gezien, neigt het bovendien naar ‘smaad‘ of ‘laster‘. Beiden zijn gedragingen die tot strafvervolging kunnen leiden.
  4. Analyseer goed welke positieve gedragingen van jouw zijde worden verwacht door instanties. Je gedrag consistent positief wijzigen en inzicht tonen, biedt mogelijk ruimte voor een hernieuwd verzoek tot het vaststellen van omgang.
  5. Zoek af en toe op een constructieve manier contact met je kind en de vervreemder – hoe moeilijk dit ook is. Ook als je kind of de vervreemder niet reageert. Verwacht hier niets van, documenteer alles. Zoek niet teveel contact. Voorkom te allen tijde dat je een contactverbod opgelegd krijgt of dat je gedrag anderszins als niet-proportioneel gezien kan worden door een instantie.
  6. Zorg dat je er klaar voor bent als je kind contact opneemt, ongeacht de intentie. Lees: Mijn puber heeft me verstoten, maar WhatsAppt af en toe, wat nu?
  7. Houd hoop, geef niet op, zoek hulp, blijf realistisch, zoek voldoende ruimte en tijd voor jezelf voor leuke dingen.

Fase 0: Vervreemding van zeer jonge kinderen (0-3)

Oudervervreemding start geregeld al heel vroeg in het leven van het kind. Dit vertaalt zich dan bijvoorbeeld in het dwarsbomen van gehechtsheidsopbouw. In de rechtspraak worden die situaties benoemd als dat de moeder geen/onvoldoende emotionele toestemming geeft aan het zeer jonge kind om een band te ontwikkelen met de andere ouder (veelal de vader). Hier in de praktijk zien we bijvoorbeeld: blokkades van erkenning, omgang, het emotioneel belasten daarvan of het dwarsbomen van uitbreiding (in veel gevallen door een vorm van systeem-triangulatie). Situaties als dit hebben een hoog risico op ouderverstoting in een latere levensfase van het kind. Heb je hiermee te maken, dan is het aan te raden om al in een vroeg stadium de inzichten toe te passen die gelden voor oudere kinderen. Voor hulp, neem gerust contact op.

Wat doet de rechter met oudervervreemding en ouderverstoting?

De rechtspraak heeft nog steeds geen eenduidige aanpak. Zowel niet van ouderverstoting door het kind als van oudervervreemding door een ouder.

Enerzijds zien we rechters die doorpakken, die wél maatregelen tegen de vervreemder en voor contactherstel nemen. Dan volgen interventies zoals hoge dwangsommen, ondertoezichtstellingen en gedragsdiagnostiek. Ook zien we soms dat de vervreemder het ouderlijk gezag verliest. Een uithuisplaatsing van het kind (bij de verstoten ouder) of een wijziging hoofdverblijf komt ook voor. Tot slot zien we soms dat de vervreemder de proceskosten moet betalen van de andere ouder.

Anderzijds zien we – ondanks het advies van het Expertteam Ouderverstoting en uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zoals L.D. v. Polen (o.m. vervat in de themapublicatie van het EHRM: Rights of the child Contact rights) – rechters die traditionele denkbeelden in stand houden. Ze gebruiken argumenten zoals: het kind wil niet, het kind laat zich niet dwingen, het gaat best goed met het kind, het kind is hulpverlening-moe, hulp of dwang vergroot alleen maar de weerstand, er is rust nodig, rust gaat mogelijk tot toenadering leiden, het kind gaat als het ouder wordt mogelijk nieuwsgierig worden naar de andere ouder, dus het is beter om het zo te laten.

In veel gevallen wordt er nog wel ‘geprobeerd’ om met hulpverlening iets te veranderen. Het duurt in (te) veel gevallen echter lang voordat er gestart wordt vanwege wachtlijsten van vele maanden; wachtlijsten waarmee de rechtspraak bekend is. Bovendien is de rechtspraak er bekend mee dat hulpverlening zelden iets bereikt. Desondanks stuurt zij ouders steeds opnieuw dit soort trajecten in. Lees ook de V&A: Helpt hulpverlening bij ouderverstoting? Tot slot zien we een zorgelijke ontwikkeling waarbij de rechtspraak enig contactherstel afhankelijk stelt van de uitkomsten van vrijwillige hulpverlening, zonder termijnen, zonder concrete doelstelling richting de ouders individueel en ook zonder rechterlijke achtervang.

Alles overziend brengt dit ons tot de cynische conclusie dat tot het moment dat het systeem – en in het bijzonder de rechtspraak – wél consistent doorpakt, het recht op familieleven respecteert, de ouderlijke actieve inspanningsplichten consistent toetst, helaas nog zeer veel kinderen de band (en daarmee het contact) met een ouder zullen verliezen. Niet omdat er ‘gegronde redenen’ zijn. Wel, doordat ze ouderverstoting als enige ‘uitweg’ zien in reactie op het vervreemdingsgedrag door de ouder bij wie ze zich veilig wanen, doch niet zijn.

Zoals altijd in het familierecht is de uitkomst van een gerechtelijke procedure onzeker. Zo een rechtszaak kan dan gaan over het verkrijgen van meer zorg voor je kind, eenhoofdig gezag en/of de hoofdverblijfplaats. Deze doelen zijn individueel beschreven in onze kennisbank. Tot slot, is het zelf verzoeken van een ondertoezichtstelling mogelijk nog een optie. Zie daarvoor deze uitspraak van Rechtbank Den Haag, waarbij de vader zonder advocaat procedeerde.

Gerechtelijke procedures bieden echter geen garantie dat het vervreemdingsgedrag door de andere ouder stopt. Deze procedures kunnen er zelfs toe leiden dat het kind nog verder in het loyaliteitsconflict wordt gedrongen, bijvoorbeeld omdat het kind van 12 jaar en ouder ook om zijn/haar ‘beïnvloedde’ mening wordt gevraagd. Ook eenhoofdig gezag is geen garantie dat het vervreemdingsgedrag stopt.

Als de vervreemder niet tot inzicht komt dat deze hiermee moet stoppen en zich gaat houden aan diens ouderlijke plichten, dan kunnen oplossingen slechts worden bereikt door het kind volledig uit de invloedssfeer van de vervreemder te halen. Die ‘omgangskaart’ ligt echter niet snel op tafel. Dit is één van onze grootste kritiekpunten op het huidige systeem.

Het kan bovendien lang duren voordat er voldoende bewijs is van vervreemdingsgedrag om een juridische actie op te baseren, ook omdat het negatieve loyaliteitsbeïnvloedende gedrag van de vervreemder voor derden zeer moeilijk te detecteren kan zijn.

Wanneer een zaak voor de rechter komt waarbij oudervervreemding, ouderverstoting, ouderonthechting of ouderafwijzing wordt gesteld, dan laat de rechter meestal de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen. Aan de Raad wordt dan bijvoorbeeld gevraagd om te adviseren welke zorgregeling en gezagssituatie het beste is voor het kind. Deze adviesvraag is o.i. overigens te beperkt en daarin kan je zelf iets sturen door focus te leggen op (het gebrek aan) positieve acties door de vervreemder.

Wordt bij je kind een negatief ouderbeeld vastgesteld, dan is de kans aanzienlijk dat je kind onder toezicht wordt gesteld. Een negatief ouderbeeld kwalificeert in de rechtspraak namelijk als een ‘ernstige ontwikkelingsbedreiging’.

De ondertoezichtstelling biedt in beginsel een kans voor welwillende ouders, hoewel de uitkomst zeer afhankelijk is van de kwaliteit van de gezinsvoogd. We stellen helaas regelmatig vast dat ‘het systeem’ de plank mis slaat of de eenvoudige uitweg kiest. Daarnaast zijn er bij de meeste Gecertificeerde Instellingen die OTS-en uitvoeren wachtlijsten. En deze wachtlijsten faciliteren feitelijk de vervreemder doordat deze kan voortgaan met de vervreemding. Tot slot, kan je de pech hebben dat je een gezinsvoogd treft die niet voldoende capabel is of die vast zit in eigen overtuigingen.

Staat je kind al onder toezicht, dan kan je slechts beperkt invloed uitoefenen om de Gecertificeerde Instelling op het rechte pad te houden. Lees: De gezinsvoogd doet zijn werk niet, wat nu?

Er is een kentering in de rechtspraak zichtbaar waarin er steeds vaker stevig wordt ingegrepen. Er is echter nog geen consistente lijn. Oplossingen die de rechtspraak hanteert zijn:

  • Diagnostiek van de ouders, het inter-oudergedrag en het systeem (bijvoorbeeld door het NIFP/Fivoor). Af en toe wordt er ook een MASIC ingezet, echter die methodiek is niet toegerust voor oudervervreemdend gedrag.
  • Individuele hulpverlening voor ouders en kind.
  • Het inzetten van gedwongen hulpverlening om de omgang tussen het kind en de verstoten ouder te hervatten.
  • Het kind (tijdelijk) volledig uit de invloedssfeer van de vervreemder plaatsen door een (uithuis)plaatsing bij de verstoten ouder. Ook komt het voor dat het kind eerst in een neutrale omgeving wordt gebracht van waaruit het contact met de verstoten ouder weer wordt opgebouwd.
  • Af en toe zien we dat zeer hoge dwangsommen of lijfsdwang worden vastgesteld om de vervreemder tot nakoming van de rechterlijke beslissing te dwingen.

In hoeverre de rechter dit soort maatregelen werkelijk als serieuze optie beziet hangt af van o.a.:

  • De leeftijd van het kind.
  • De mate van weerstand bij het kind; of er een weglooprisico is of er wellicht ook fysiek verzet is.
  • In welke mate vrijwillige of gedwongen hulpverlening eerder is ingezet.
  • Andere zaken die wellicht een transitie naar de andere ouder zouden belemmeren. Er zijn voorbeelden dat een kind zo sterk parentificeerde, dat dit op zich een contra-indicatie was voor herstel van de omgang met de verstoten ouder, terwijl parentificatie normaal juist een indicatie is voor het tegenovergestelde.

Nationale overheden hebben een actieve inspanningsplicht om het gezins-, familie- en privéleven te beschermen. Inbreuken daarin moeten bovendien proportioneel zijn. Dit is de uitkomst van een hele serie van uitspraken door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, zoals deze uitspraak en deze uitspraak. Overheden moeten 'alles' in het werk stellen om de band (en daarmee het contact) met beide ouders en in het bijzonder met de verstoten ouder te realiseren. Er moet snel worden gehandeld. Ook moeten de ingezette middelen effectief zijn.

De rechtspraak staat weliswaar los van de overheid (scheiding der machten) echter is daar tóch onderdeel van. Zo ziet de rechtspraak de Raad voor de Kinderbescherming en Gecertificeerde Instellingen als ketenpartners. Als er iets misgaat of als doelen niet behaald worden, dan is uiteindelijk de rechter de enige partij die hierin verandering kan brengen. Onze kritiek richt in de basis dan ook op een gebrek aan daadkracht, gezag en kwaliteit van de rechtspraak bij zaken waarin oudervervreemding (en ouderverstoting) speelt, terwijl de Hoge Raad in dit arrest rechters feitelijk de opdracht heeft gegeven om 'alles' in het werk te stellen om omgang te realiseren, nadien nog eens herbevestigd in dit arrest.

Regelmatig lezen we dat rechters jarenlange gerechtelijke- en hulpverleningstrajecten afsluiten met samengevat "de hoop dat het kind op termijn zelf weer contact zoekt", "de hoop dat in de toekomst de vervreemder alsnog gaat inzien dat deze het contact tussen het kind en de andere ouder moet ondersteunen" of "de verwachting dat het kind op een gegeven moment zelf nieuwsgierig wordt".

In een zaak die diende bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd een vader zelfs het ouderlijk gezag ontnomen. Het doel: om te voorkomen dat hij zich juridisch zou blijven inzetten voor contactherstel met zijn 14 jarige zoon. Dit ondanks dat hij eerder van andere rechters steeds gelijk had gekregen.

Dit soort onbegrijpelijke uitkomsten tonen o.i. slechts een capitulatie van de rechtspraak. Het zijn beslissingen waarmee feitelijk voortdurende en langjarige kindermishandeling evenals psychisch geweld naar de andere ouder wordt gelegitimeerd. Lees in dit kader ook de opinie: Bij ouderverstoting steeds vroegere systeemcapitulatie.

Onvoldoende onderzoek naar (inter-)ouderlijk gedrag

Het spreekt voor zich dat de rechters in de meeste gevallen niet zelfstandig tot dit soort beslissingen komen. De Raad voor de Kinderbescherming, de Gecertificeerde Instellingen bij ondertoezichtstellingen en soms ook bijzondere curatoren, hebben hierin een belangrijk aandeel.

Zo vallen bijvoorbeeld de neutrale of ronduit contraproductieve standpunten op, zoals dat "wordt gehoopt dat een ouder alsnog meewerkt" of "dat het kind tijd moet worden gegeven om..". Let wel, terwijl het kind veelal volledige onder invloed staat/in de macht is van de vervreemder: een ouder waarvan inmiddels is vastgesteld (of zou kunnen worden vastgesteld) dat deze zich niet/onvoldoende heeft gehouden/houdt aan de plicht om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen en emotionele toestemming te geven aan het kind om die band te hebben en houden.

Sterker, het gebeurt nog te vaak dat de vervreemder voor dit type professionals tóch nog een goed-genoeg-verzorger/ouder is omdat er "geen zorgen zijn over de dagelijkse verzorging". Vanzelfsprekend een onbegrijpelijk standpunt. Lees ook de opinie: Maak de band-bevorder-plicht onderdeel van de veertien voorwaarden voor goed-genoeg-ouderschap!

Onvoldoende toetsing (inter-)ouderlijk gedrag

Omdat ouderverstoting in alle gevallen herleidbaar is aan iets dat de vervreemder heeft gedaan en/of nagelaten, zou je verwachten dat de rechtspraak dit ook toetst. De wet biedt daarvoor meerdere aanknopingspunten. Het gaat hierbij om de naleving van o.a. de ouderschapsnormen de informatieplicht, consultatieplicht en (vervangende) toestemming-vooraf-plicht. Het is evenwel eerder standaard dat dat niet wordt gedaan, als dat het wél wordt gedaan. Wordt het wél gedaan dan leiden die zaken regelmatig tot uitkomsten die de vervreemder stevig aanpakken. In de zaken waarin het niet wordt gedaan is het haast een onmogelijke opgave voor de verstoten ouder om nog de weg terug naar het kind te vinden.

Oplossing (ten onrechte) zoeken in hulpverlening

Zoals hierboven geschreven ontbeert de rechtspraak o.i. een gebrek aan gezag en effectiviteit. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in plaats daarvan met jeugdhulp wordt geprobeerd de oplossing in het kind te zoeken. Er worden interventies ingezet die bewezen niet-effectief zijn in situaties waarin oudervervreemding speelt: zoals Parallel Ouderschap of een vorm van Ouderschapsbemiddeling.

Een gebrek aan uniformiteit/rechtszekerheid

Het vraagt een rechter met visie en lef om traditionele denkbeelden te doorbreken, zoals de rechter van Rechtbank Limburg in deze uitspraak, de rechter van Rechtbank Rotterdam in deze uitspraak en de rechter van Rechtbank Midden-Nederland in deze uitspraak. Dit type rechters en uitspraken is echter onverminderd schaars (zie onze rechter top 6 hieronder). Hierdoor zijn je kind en jij voor een goede uitkomst afhankelijk van wil van de rechter om daadkrachtig te zijn.

De rechtspraak zwalkt heen en weer en het belang van het kind eist dat dit verandert. Lees ook de opinie: Familierechters, kom met één aanpak van oudervervreemding! Dit is ook van belang om vervreemders geen uitzicht te bieden op mogelijk succes. Het tegenovergestelde gebeurt in de praktijk echter regelmatig. Het zijn uitspraken die tonen dat je als vervreemder uiteindelijk toch wel aan het langste eind trekt of toch nog wel één laatste kans krijgt. Vervreemdingsgedrag is daarmee verworden tot kindermishandeling en ex-partnergeweld waartegenover geen enkele geloofwaardige afschrikking staat. Daarmee drijft o.i. de rechtspraak zelf de instroom van ouderverstotingszaken. Een keiharde conclusie.

Een gebrek aan inzet van beschikbare middelen

De wet biedt rechters ruimschoots (ambtshalve) bevoegdheden verandering te bewerkstelligen. Daarnaast zijn er in de rechtspraak ook gevalideerde routes zoals diagnostiek door Fivoor of het NIFP (van de ouders, de inter-ouderdynamiek en het gezinssysteem, zie ook deze uitspraak in een UHP-zaak) en de begeleide omgangsregeling. Tot slot bestaat er nog zoiets als rechterlijke drang. Dat zijn signalen die rechters in hun beslissingen kunnen verwerken die bijvoorbeeld een bepaalde gedragsinstructie omvatten. Hiervoor geldt overigens ook: geen enkele consistentie in de rechtspraak.

Lees onze uitgebreide visie over hoe het huidige systeem de plank misslaat en hoe ouderverstoting kan worden voorkomen/opgelost. Het NIFP is bezig met een afbouw van familierechtelijke rapportages, wat een zeer zorgelijke ontwikkeling is. Lees ook de opinie: Waarom niet (meer) NIFP bij 'complexe' scheidingen?

De grootste (o.i. eenvoudig oplosbare) verbeterpunten

  • Rechtspraak en hulpverlening lijkt er (nog) onvoldoende van doordrongen dat de de vervreemder een plicht heeft om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen en dat dit een positieve-inspanningsplicht is. Hetzelfde geldt voor de plicht om ook op inter-ouderniveau de situatie tot rust te brengen. Wat o.i. nodig is, is dat de ouders individueel en gezamenlijk strikt worden gehouden aan hun wettelijke plichten van artikel 1:247 leden 2 en 3 BW, de zogenaamde ouderschapsnormen en de overige actieve inspanningsplichten.
  • Je zou verwachten dat als een rechter kiest voor een uithuisplaatsing bij de andere ouder, dat er een team van professionals klaarstaat om dit te begeleiden. Dit gespecialiseerde team is er echter niet, noch is er een gevalideerd hulpprogramma. Dit werpt een extra drempel op voor rechters.

Rechters die goed werk doen en (coalitie-)ouders wel houden aan hun ouderlijke plichten, zetten we in het zonnetje. De namen hierna zijn het resultaat van voortdurend rechtspraakonderzoek. Krijg je één van deze rechters in je zaak, dan is er een grotere kans op een positieve uitkomst. Omdat je geen invloed hebt welke rechtbank bevoegd is en welke rechter je krijgt, heeft dit overzicht uiteraard slechts een beperkte waarde. Vind je dat de rechter in jouw zaak hier niet mag ontbreken, stuur gerust een bericht.

  1. Mw. mr. T. Dopheide, Rechtbank Midden-Nederland
  2. Mw. mr. M.A.A.T. Engbers, Rechtbank Midden-Nederland
  3. Dhr. mr. R.M. van Diepen, Rechtbank Noord-Holland
  4. Dhr. mr. P.H.J. Frénay, Rechtbank Limburg
  5. Mw. mr. H.J. Wieman-Bart, Gerechtshof Den Haag (voorheen Rechtbank Rotterdam)
  6. Dhr. mr. C.A.R.M. van Leuven, Rechtbank Zeeland-West-Brabant (voorheen Gerechtshof Den Bosch)

Wil je verder juridisch verdiepen? Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens publiceert naast beslissingen ook beleidsstukken met samenvattingen van de rechtspraak. Deze stukken zijn zeer lezenswaardig en geven een overzicht van de stand van zaken rondom de verschillende (deel)onderwerpen.

Let op!
Zijn er – ongeprovoceerd door de andere ouder – zaken tussen je kind en jou voorgevallen die een volledige verstoting proportioneel maken? Stel in gerechtelijke, jeugdbeschermings- en hulpverleningsprocessen dan niet dat de afwijzing door je kind uitsluitend het gevolg is van oudervervreemding. Het leidt er o.i. mogelijk toe dat je de verstoting verdiept. Het ontkennen van eigen schadelijk gedrag is nooit de juiste weg om te bewandelen. Wat wel de juiste weg is lees je hier.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.
Lees hierna onze inzichten en voorbeelden van rechterlijke uitspraken in vergelijkbare situaties. Is een rechtszaak onvermijdelijk? Ontdek ook onze kostenbesparende 'litigation support'.

Lees hierna verder ↴

Inzichten

  1. Er lijkt een verandering gaande in de rechtspraak waarin oudervervreemding vaker als ‘een vorm van kindermishandeling’ wordt aangemerkt.
  2. Als de vervreemder ook de ouder met het hoofdverblijf is (meestal de moeder), zal niet snel tot een wijziging in het gezag worden overgegaan als er nog een kans is dat de hulpverlening iets bereikt.
  3. Er is ambivalentie in de rechtspraak rondom de stelligheid waarmee de vervreemder wordt gewezen op de wettelijke plicht om het contact tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.
  4. Niet op tijd handelen kan ertoe leiden dat er een ‘voldongen feit’ ontstaat, waarbij een eventueel contact tussen de verstoten ouder en het kind op de lange baan wordt geschoven en toch weer afhankelijk wordt gesteld van de steun van de vervreemder of het initiatief van het kind.
  • Hoe aannemelijk het is dat de situatie is veroorzaakt in het kader van een vervreemdingscampagne door een vervreemder.
  • In hoeverre er contra-indicaties zijn bij de verstoten ouder.
  • In hoeverre er contra-indicaties zijn in de band tussen het kind en de verstoten ouder.
  • Hoe haalbaar de wens-doelen van de verstoten ouder zijn in relatie tot de ‘psychologische draagkracht’ van het kind en de vervreemder.
  • In hoeverre er al in een eerder stadium hulpverlening is ingezet.
  • De leeftijd van het kind.

Wat thans nog onderbelicht blijft in de gemiddelde rechterlijke beoordeling is in hoeverre de ouder bij wie het kind na verstoting verblijft zich (ruimhartig) heeft gehouden en nog houdt aan de verplichtingen die komen met de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dit omvat onder andere de plicht om de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, de informatie- en consultatieplicht en de plicht om een normale ouderschapsrelatie met de andere ouder te bewerkstelligen. Geen enkele ouder heeft het recht zich aan deze verplichtingen te onttrekken zonder rechterlijke toestemming. Dit wel doen is feitelijk ‘eigenrichting’, echter dit wordt door de rechtspraak onvoldoende (h)erkend.

Lees hierna verder ↴

Rechtspraak

Je leest een selectie. Deze wordt regelmatig bijgewerkt. Meer uitspraken of research nodig? Contact ons voor hulp.

Rechter handelt wel bij oudervervreemding

Een vader gaat in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland om zijn dochter uit 2020 een jaar onder toezicht te stellen. Hij stelt dat het goed met het kind gaat, dat er geen zorgen zijn op school en dat alleen de broers problemen hebben. De raad, de moeder en de GI vinden dat er wél zorgen zijn, vooral omdat het kind al een jaar geen contact met de moeder heeft en er weinig zicht is op de opvoedsituatie bij de vader.

Het hof ziet een ontwikkelingsbedreiging door het contactverlies met de moeder, de voortdurende strijd en het wantrouwen tussen de ouders en het gebrek aan zicht op vaders opvoedvaardigheden. Het hof bekrachtigt daarom de ondertoezichtstelling en spreekt de GI nadrukkelijk aan om nu voortvarend hulp en contactherstel te organiseren.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De rechter benoemt de ouderlijke plichten vooral in termen van contactherstel en communicatie, maar rekent de ouders nauwelijks concreet af op nalaten of blokkeren daarvan. De beslissing is vooral kaderstellend (“OTS blijft”) en weinig resultaatsgericht ingevuld met harde termijnen of duidelijke stappen voor ouders en GI. Dat de GI tot nu toe weinig heeft gedaan, wordt wel genoemd maar leidt niet tot verdere verplichtingen of consequenties in de uitspraak. Is het kind niet meer gebaat bij een voortvarende rechtspraak?

Een moeder werkt structureel onvoldoende mee aan het contactherstel tussen de kinderen en de vader en aan de daarvoor noodzakelijke hulpverlening via Spoor030. Zij frustreert de uitvoering van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling (vrijdagregeling en toewerken naar week-op-week-af) en beroept zich op de weerstand en mogelijke trauma’s van de kinderen om feitelijk het contact te blijven tegenhouden.

Ook zet de moeder het traject bij Spoor030 stil door een beroep op de AVG en dient zij verzoeken in die zijn gericht op opschorting van de zorgregeling en extra onderzoek, wat de hulpverlening en uitvoering van de ondertoezichtstelling blokkeert.

De rechter vindt dat de kinderen al jaren onterecht geen contact met de vader hebben, dat dit als een ernstige vorm van kindermishandeling geldt, en dat er geen rechtvaardiging is om niet “ruimhartig” mee te werken aan het contactherstel. Daarom wordt de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025 – die de moeder verplicht tot medewerking aan Spoor030 en tot naleving van de zorgregeling – bekrachtigd.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Wederom een uitstekende uitspraak van Mr. Engbers die korte metten maakt met weerstandsgedrag tegen contactherstel in een situatie van onterechte en langdurige oudervervreemding. De hoofdverblijfouder i.c. de moeder dient ruimhartig mee te werken aan het contactherstel.

Een moeder verzoekt vervangende toestemming om te verhuizen samen met haar 6‑ en 5‑jaar oude kinderen. De rechtbank vindt wel begrijpelijk dat zij destijds acuut uit Zeeland moest vluchten vanwege een reële dreiging van haar ex-partner (niet de vader van de kinderen), maar acht het zeer zorgelijk dat zij daarna eenzijdig besloot zich blijvend op 250 km afstand te vestigen, de kinderen daar op school in te schrijven en vervolgens zonder enig overleg de omgang met vader volledig stopzette.

De rechter benadrukt dat de moeder hiermee de rol van de vader als hechtingsfiguur fors beperkt, hem structureel buiten gezagsbeslissingen houdt en geen of onvoldoende objectieve onderbouwing geeft voor haar keuzes en voor het vermeende aanhoudende veiligheidsrisico.

Dit zelfbepalende en weinig coöperatieve handelen acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen; de moeder moet de vader voortaan actief bij alle belangrijke beslissingen betrekken én bijdragen aan het haal‑ en brengverkeer. In afwachting van een raadsonderzoek laat de rechtbank de verhuiskwestie nog open, maar herstelt zij direct het contact door een voorlopige zorgregeling en wekelijks videobellen vast te stellen.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Deze uitspraak in een serie van uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wekt het idee dat het hof nu eindelijk koers heeft gevonden en bereid is om dit ook vast te houden. Jarenlange tegenwerking kán uiteindelijk slechts omgekeerd worden door ‘inzicht bij de vervreemder’ of ‘begrenzing’.

Een kind ziet haar vader al geruime tijd niet. Dit is aanleiding om haar onder toezicht te stellen. De moeder werkt echter niet mee met de ondertoezichtstelling en het contactherstel. Dit leidt ertoe dat het kind uit huis wordt geplaatst in een gezinshuis waar ze opbloeit. Door de tegenwerkende houding van de moeder wordt er niet aan het contactherstel met de moeder gewerkt. Wel wordt er aan het contactherstel met de vader gewerkt wat slaagt.

Moeder verzet zich evenwel tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Ze wil alleen maar dat haar kind zo snel mogelijk bij ahaar terugkomt. Het hof overweegt:

Omdat de moeder de vader jarenlang heeft afgewezen in zijn ouderrol, heeft het hof er geen vertrouwen in dat de moeder zal meewerken aan voortzetting van het zorgvuldig opgebouwde contact tussen de vader en [minderjarige] . Het hof hoopt dat de moeder haar opstelling gaat veranderen in die zin dat zij de deskundigheid van de GI kan aanvaarden en dat zij stappen zet om het contact met [minderjarige] te kunnen herstellen. De moeder kan hierbij eventueel hulpverlening voor zichzelf inschakelen. De GI is een professionele instantie die moet handelen en beslissen in het belang van het kind. De GI wil het contact tussen de moeder en [minderjarige] juist graag herstellen en opbouwen. Pas nadat dat is gebeurd, kan worden bekeken of, en zo ja, onder welke voorwaarden een terugplaatsing bij de moeder mogelijk is.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Deze uitspraak in een serie van uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wekt het idee dat het hof nu eindelijk koers heeft gevonden en bereid is om dit ook vast te houden. Jarenlange tegenwerking kán uiteindelijk slechts omgekeerd worden door ‘inzicht bij de vervreemder’ of ‘begrenzing’.

Een moeder dwarsboomt het contact tussen haar beide kinderen van 9 jaar en hun vader en voert daarvoor allerlei ongesubstantieerde bezwaren aan over hun veiligheid en het feit dat de kinderen hun vader niet zouden willen zien.

De rechter stelt vast dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die maken dat het contact met de vader niet in het belang van de kinderen zou zijn, en gaat daarom uit van het eerder vastgestelde uitgangspunt dat de zorgregeling moet worden nagekomen.

Het emotionele en wisselende verzet van de moeder tegen met name de hulpverlening en begeleide omgang via RondomJou wordt de moeder aangerekend: de rechter vindt dat dit het contact onnodig belemmert.

De rechter legt daarom een concreet en gedetailleerd omgangsschema vast én verbindt daar vanaf 1 januari 2026 een dwangsom aan van € 500 per keer dat de moeder niet meewerkt aan de begeleide contacten via RondomJou, om haar te dwingen haar weerstand te overwinnen en de regeling na te leven.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Hoewel in deze casus de rechter wél ingrijpt tegen de obstructie plegende moeder, toont deze uitspraak toch weer hoe weinig de rechtspraak begrenst. Niet-welwillende ouders kansen blijft bieden om in het vrijwillig kader hun gedrag te wijzigen leidt slechts tot meer instroom van dit soort zaken.

Rechter handelt niet bij oudervervreemding

Een gecertificeerde instelling start een procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant om de bestaande omgangsregeling tussen de vader en het kind stop te zetten. De rechter stelt vast dat er al lange tijd geen contact meer is en dat eerdere hulpverlening en pogingen tot contactherstel zijn mislukt, terwijl het nu rustiger gaat met het kind.

De rechter beslist dat er geen vaste contactregeling meer komt en dat er niet langer actief aan contactherstel wordt getrokken. Wel mag het kind, als het daar later behoefte aan heeft, zelf bepalen of en hoe hij weer contact met de vader opzoekt, eventueel met hulpverlening, terwijl beide ouders gezamenlijk met gezag belast blijven en elkaar moeten blijven informeren.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De rechter legt de nadruk op de rust voor het kind, maar toetst beperkt hoe de moeder en de vader hun wettelijke ouderlijke plichten feitelijk invullen en ingevuld hebben. De beslissing geeft het kind ruimte en regie, maar roept de vraag op hoe reëel “eigen keuze” is als de druk van beide ouders en het verleden zo zwaar wegen.

De rechter benoemt wel dat de moeder moet blijven informeren en samen beslissen met de vader, maar werkt niet uit wat er gebeurt als dat opnieuw niet lukt. De uitspraak sluit het juridische deel af met een duidelijke regeling, maar laat tegelijk een open eind: wie helpt het kind later veilig en neutraal contact te leggen als hij dat zelf wil?

Een vader strijdt 6 jaar voor het bewerkstelligen van een stabiele omgang met zijn inmiddels 10 jaar oude kind. Ondanks jaren van hulpverlening, ondertoezichtstellingen en pogingen tot contactherstel via onder andere het Rotterdams Omgangshuis, is er geen omgang tot stand gekomen en laat het kind duidelijke weerstand tegen contact met de vader zien.

Uit diagnostiek blijkt dat het kind zwakbegaafd is en ernstige hechtings- en gedragsproblemen heeft, mede vanuit de opvoedsituatie bij de moeder, waardoor eerst intensieve behandeling en stabiliteit nodig zijn. De rechtbank oordeelt dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind, ontzegt de vader het omgangsrecht, maar benadrukt dat de moeder de vader goed moet blijven informeren en hoopt dat op langere termijn alsnog ruimte voor contact kan ontstaan.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De beslissing van de rechtbank Rotterdam om de vader het recht op omgang met zijn zoon volledig te ontzeggen, roept ernstige vragen op in het licht van artikel 8 EVRM en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van het EHRM.

De rechtbank erkent expliciet dat jarenlang geen substantiële stappen zijn gezet richting contactherstel, dat de GI in fases niets heeft gedaan en dat de omgang al sinds 2019, maar feitelijk zelfs sinds 2015-2018 in wisselende mate, problematisch is geweest. Toch wordt de uitkomst, een volledige en niet in de tijd begrensde ontzegging, primair gebaseerd op de huidige, door jarenlange stilstand en mislukte hulpverlening gecreëerde situatie, en op de weerstand van een kwetsbaar, zwakbegaafd en hechtingsgestoord kind dat zijn vader sinds 2019 niet heeft gezien.

Daarmee schuift de rechtbank de door de overheid (GI, hulpverlening, eerdere rechterlijke beslissingen) mede veroorzaakte status quo naar voren als rechtvaardiging voor een ingrijpende beperking van het familie‑ en gezinsleven. Dat is in strijd met de door het EHRM ontwikkelde positieve verplichting van de Staat om zich actief en tijdig in te spannen om ouder‑kindrelaties te behouden en te herstellen (vgl. o.a. EHRM 16 juni 2015, LD v. Poland, nr. 11063/14; EHRM 25 maart 2014, R.M.S. v. Spain, nr. 28775/12; EHRM 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk v. Zwitserland, nr. 41615/07).

In LD v. Poland benadrukte het EHRM dat artikel 8 EVRM niet slechts bescherming biedt tegen willekeurige inmenging, maar de autoriteiten óók verplicht “adequate and effective steps” te nemen om hereniging tussen ouder en kind mogelijk te maken, en dat tijdsverloop, veroorzaakt door gebrekkige of trage bemoeienis van de autoriteiten, niet mag worden gebruikt als argument om het contact definitief te verbreken.

Het Hof is herhaaldelijk kritisch geweest op nationale autoriteiten die zich passief of reactief opstellen, het initiatief bij GI’s/hulpverlening laten, of de zaak jarenlang laten sudderen, om zich dan uiteindelijk op de inmiddels ontstane hechtings- en loyaliteitsproblemen te beroepen als grond om tot beëindiging of ontzegging van contact over te gaan.

Precies dat patroon tekent zich hier af: de rechtbank zelf constateert dat de zaak “geen stap verder is gekomen”, dat er periodes zijn geweest waarin de GI “niets heeft gedaan”, dat eerdere verwijzingen (Rotterdams Omgangshuis) niet zijn geëffectueerd vanwege systeembeperkingen, en dat de diagnostiek en behandeling van het kind jaren op zich hebben laten wachten.

Tegen deze achtergrond is het in het licht van LD v. Poland en andere EHRM‑jurisprudentie problematisch dat de rechtbank wel een eindbeslissing neemt die de feitelijke breuk tussen vader en kind consolideert, maar niet onderzoekt of de Staat in de tussenliggende jaren aan zijn positieve verplichtingen heeft voldaan, en evenmin motiveert waarom minder vergaande, gefaseerde of herroepbare maatregelen (bijvoorbeeld gesuperviseerde omgang op termijn, conditional orders, periodieke rechterlijke herbeoordeling) niet mogelijk zouden zijn.

Ten slotte valt op dat de rechtbank zeer zwaar leunt op de actuele weerstand van het kind en zijn kwetsbaarheid, zonder die positie kritisch te analyseren in het licht van de door het EHRM gestelde eisen. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de wens of weerstand van het kind weliswaar een wezenlijke factor is, maar niet doorslaggevend mag zijn wanneer deze mede het product is van jarenlange afwezigheid van contact, mogelijke beïnvloeding door de verzorgende ouder, en een gebrek aan consistente professionele ondersteuning gericht op herstel (vgl. o.a. EHRM 26 juni 2014, Zhou v. Italy, nr. 33773/11; EHRM 10 januari 2019, Strand Lobben v. Norway, nr. 37283/13).

In deze zaak is niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de weerstand van een zwakbegaafd en hechtingsgestoord kind na zes jaar zonder reëel contact autonoom, stabiel en geïnformeerd is, dan wel in sterke mate situatie‑ en contextgebonden. De rechtbank volstaat met de constatering dat “eerst [minderjarige] zelf op de rit moet komen” en dat de moeder niet overvraagd mag worden, zonder te onderzoeken of aanvullende, meer gespecialiseerde, systemische hulp (bijvoorbeeld een combinatie van traumabehandeling en zorgvuldig begeleide, zeer laagdrempelige contactvormen) beschikbaar of te realiseren is.

Daarmee wordt in feite de (structurele) onmacht van het jeugdstelsel en van de betrokken instanties bij het kind neergelegd, en wordt het recht op familieleven van zowel vader als kind voor onbepaalde tijd opgeofferd aan het belang van “rust”, zonder stringente toetsing of deze zwaarste ingreep “noodzakelijk in een democratische samenleving” en proportioneel is in de zin van artikel 8 EVRM.

Een moeder start een procedure bij de rechtbank Den Haag met als doel de bestaande zorgregeling uit het ouderschapsplan af te dwingen, eventueel met een dwangsom. De vader stelt dat de moeder ernstige alcoholproblemen had, dat hij al langere tijd de dagelijkse zorg heeft en dat onbegeleide omgang nu onveilig is voor het kind.

De rechter wijst het verzoek tot nakoming en dwangsom af en bepaalt dat het kind voorlopig elke vrijdag 1,5 uur bij de moeder is, in aanwezigheid van de vader. De rechter verwijst ouders en kind naar een traject omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling, met als doel de zorgregeling stapsgewijs uit te breiden naar onbegeleide contacten bij de moeder.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De rechter benoemt vooral de zorgen over veiligheid en stabiliteit, maar toetst beperkt hoe consequent de vader de gezamenlijke ouderlijke plicht tot bevordering van de band tussen het kind en de moeder naleeft. Door de huidige, duidelijk belastende vorm van begeleide omgang door de vader toch voort te zetten, wordt het belang van rust voor het kind ondergeschikt gemaakt aan de patstelling tussen de ouders.

Het besluit om de verdere invulling uit te besteden aan een hulpverleningsorganisatie maakt het proces flexibel, maar laat veel ruimte voor onduidelijkheid en uitstel, zeker gezien de enorme wachtlijsten. Hoe helpend is een beslissing die geen harde stappen, termijnen en verwachtingen aan de moeder én de vader koppelt?

Een moeder gaat in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling tussen de vader en het oudste kind. Na jaren van intensieve hulpverlening en meerdere trajecten lukt het niet om het contact tussen de vader en het kind op een onbevangen manier vorm te geven. Het hof vindt dat het kind door zijn verleden en ontwikkelingsproblemen nu geen ruimte heeft voor verder contactherstel en dat een verplichte zorgregeling daarom tegen het belang van het kind ingaat. De eerdere zorgregeling voor dit kind wordt vernietigd en het verzoek van de vader voor een nieuwe zorgregeling wordt afgewezen. Voor het jongere kind blijft de zorgregeling van de rechtbank gewoon gelden, omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Weer een beslissing waarin jarenlange hulpverlening en procedures voorafgaan aan een breuk tussen ouder en kind en de rechtspraak hierbij de handdoek in de ring gooit.

Een vader start een procedure bij de rechtbank Den Haag om een omgangsregeling met zijn tienjarige dochter vast te leggen, die al haar hele leven bij oma woont. De Raad ziet geen harde reden om contact te verbieden, maar wel veel trauma en angst bij het kind en weerstand bij de oma, die de voogd is.

Begeleide omgang is eerder niet van de grond gekomen en het kind is erg bang om naar de vader te moeten, ondanks dat de Raad voor de Kinderbescherming eerder geen contra-indicaties vaststelde.

De rechter vindt dat eerst de relatie tussen vader en oma via systeemtherapie moet verbeteren en dat het kind traumatherapie krijgt. De beslissing over omgang en proceskosten wordt daarom uitgesteld tot maart 2026, zonder voorlopig contact tussen vader en kind.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Deze uitspraak past in een lange lijst van uitspraken van Rechtbank Den Haag waarin de rechtbank de hoofdverblijfouder niet houdt aan diens ouderlijke verplichtingen in het bijzonder om de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. De rechter concludeert dat er sprake is van intergenerationeel trauma bij de oma en in plaats van nu te interveniëren verkiest de rechter voor aanhouding van de zaak en geeft de vader tegelijk de onmogelijke opdracht om het intergenerationele trauma van de oma te overbruggen.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees hierna verder ↴

Meer verdiepen?