Special · Omgang niet-ouders en grootouders

Laatst bijgewerkt op: | Wetsingang art. 1:377a BW | Leestijd: 9 minuten

Ben je geen juridisch ouder en bijvoorbeeld een biologisch ouder die niet heeft kunnen erkennen, een grootouder, familielid, stiefouder of een derde en wil je met een minderjarig kind een formele omgangsregeling? Dan is het mogelijk om de rechter te vragen deze vast te stellen.

Het recht van het kind op omgang met niet-juridisch-ouders

Het recht op omgang voor bijvoorbeeld grootouders centreert zich rondom het recht van het kind op contact en is wettelijk vastgelegd in artikel 1:377a lid 1 BW BW.

Artikel 1:377a lid 1 BW:
Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Daarnaast volgt het uit artikel 8 lid 1 EVRM
Artikel 8 lid 1 EVRM:
Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
en bijvoorbeeld het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

De omgangsregeling tussen het kind en de ander wordt echter alleen toegewezen als er sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’. Ook moeten er vanuit het kind bezien geen zwaarwegende contra-indicaties zijn voor deze omgang.

Toetsing van ‘nauwe persoonlijke betrekking’

Het is logisch om te denken dat een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ automatisch volgt uit een bloedband. Een omgangsrecht voor het kind met grootouders bijvoorbeeld lijkt evident. De praktijk blijkt echter anders.

Wanneer de rechter toetst of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking wordt o.m. gekeken naar de bestendigheid van het contact. Ook beoordeelt de rechter hoe aannemelijk het is, dat voor het kind de band (nog steeds) van voldoende waarde is.

Of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking moet worden aangetoond door de verzoeker. In principe wordt de Raad voor de Kinderbescherming altijd gevraagd om een advies uit te brengen.

Een nauwe persoonlijke betrekking kan er zijn en dan weer niet

De rechter beoordeelt de betrekking zoals die nu is, niet hoe die in het verleden was. Dit betekent dat een nauwe persoonlijke betrekking er kan zijn, maar dat deze door verloop van tijd ook weer kan verdwijnen.

Voorbeeld:
Stel de grootouders zien hun kleinkind regelmatig, hebben gemiddeld één dag per week de zorg thuis in het ouderlijk huis en de relatie wordt door omstandigheden slecht. Het contact eindigt. Dan kan de nauwe persoonlijke betrekking dus puur door tijdsverloop verdwijnen.

Wel omgang bij nauwe persoonlijke betrekking, tenzij…

Is er wel sprake van een nauwe persoonlijke betrekking dan kan de rechter de omgang alleen afwijzen op basis van voorwaarden die in de wet zijn opgesomd. T.w. als:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
  2. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Punt 4 hierboven is een vangnetbepaling waarmee de rechter alsnog veel vrijheid heeft om naar eigen inzicht een weging te maken van de feiten en omstandigheden (en de impact daarvan op het kind).

Procederen voor omgang is een dilemma

Enerzijds kan procederen voor omgang juist de relatie met de hoofdverzorgende ouder polariseren. Anderzijds kan niet-procederen tot contactverlies leiden en kan op die basis de nauwe persoonlijke betrekking verdwijnen. Dit maakt de beslissing een dilemma, een paradoxale situatie en is dus een haast onmogelijke keuze.

Wij zijn overigens van mening dat de wetgever deze situatie eenvoudig kan doorbreken door ook wettelijk vast te leggen dat een gezagdragend ouder ook het contact tussen het kind en de bredere (familie)kring moet bevorderen. Dan kan dit rechterlijk ook worden getoetst, met een duidelijkere maatstaf dan ‘slechts’ op basis van het recht op familieleven van artikel 8 lid 1 EVRM.

Lees hierover ook ons blog: Juridisch geen ouder + geen contact = jammer!? Wetswijziging om banden met bredere (familie) kring te bevorderen?

6 Tips die je verder helpen

Ondanks dat er geen zekerheden zijn, hebben we nog wel enkele tips voor je als je voor deze keuze staat.

  1. Leg zo gedetailleerd mogelijk vast wanneer er contact is geweest en waar dit contact uit bestond.
  2. Hanteer te allen tijde een de-escalerende communicatiestijl richting de ouder.
  3. Zet nooit het kind in om jouw doel te bereiken.
  4. Communiceer niet te vaak, maar probeer wel in contact te blijven met het kind en de ouder, m.a.w. berust (op papier) niet in de situatie.
  5. Leid een eventuele juridische procedure voorzichtig en stapsgewijs in. Het doel is dat noch de Raad voor de Kinderbescherming noch de rechter een negatief aanknopingspunt ziet in jouw gedrag.
  6. Het belang van het kind moet voorop te staan. Dit betekent dat soms van ouders kan worden verwacht dat ze aan zichzelf werken om met de situatie te leren omgaan. Dit vraagt echter dat jij uit de feiten als een welwillende partij naar voren komt.

Komt de situatie met de hoofdverzorgende ouder niet tot rust en is een rechterlijke beslissing misschien noodzakelijk? We begrijpen voor welke opgave je staat. Wil je hulp? Contact ons vrijblijvend voor een kennismaking.

Rechtspraak

Omgangsregeling toegekend

Ouders van overleden moeder, wonende in het Verenigd Koninkrijk, procederen voor een (minimale) omgangsregeling met kun kleinkind van 10-11 jaar. Ernstig verstoorde verhouding tussen vader en grootouders m.z.

Deze uitspraak is opmerkelijk gezien het referentiekader dat Gerechtshof Amsterdam hanteert. Zoals gebruikelijk bij dit type geschillen wordt gewogen in hoeverre grootouders ‘meer in het dagelijks verkeer gebruikelijke’ omgang hadden met hun kleinkind. Het hof weegt de omgang echter niet naar grootouders in het algemeen doch grootouders die in het buitenland woonachtig zijn. Ook weegt het hof mee dat de grootouders de enige resterende verbinding zijn tot de rest van de familie aan moeders zijde.

De grootouders hadden slechts 4 maal per jaar 2 dagen contact en daarnaast wel structurele belcontacten. En de regelmatige bezoeken gingen door tot ‘enkele jaren geleden’ en hadden kun kleinzoon al 10 maanden niet gezien. Spoedeisend karakter ook voldoende aannemelijk gemaakt voor het hof.

Het hof stelt een maandelijkse belregeling vast bekrachtigt omgangsregeling in Nederland 4x per jaar van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17:00

Volledige uitspraak

Omgangsregeling afgewezen

Een grootmoeder (moeder van de moeder) verzoekt een omgangsregeling met haar kleinkind. Grootmoeder heeft een vaste zorgtaak vervuld en daarmee komt vast te staan dat er sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’. Toch gaat het gerechtshof niet mee in het vaststellen van een omgangsregeling. Er is veel ruzie tussen de grootmoeder en de moeder en de aanwezigheid van een omgangsregeling zal het kind in een loyaliteitsconflict dringen.

Volledige uitspraak

Een grootmoeder procedeert voor omgang met haar (jonge) kleinzoon. De verhoudingen met de moeder en vader zijn echter sterk gepolariseerd. Grootmoeder tracht aannemelijk te maken dat haar betrokkenheid ‘regulier grootoudercontact’ overstijgt. Ze slaagt hier echter niet in. Derhalve geen ‘nauwe persoonlijke betrekking’.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert negatief omdat het kind nog zeer afhankelijk is van zijn ouders om het contact met de grootmoeder veilig te laten verlopen, wat niet kan gezien de verhoudingen.

De rechtbank motiveert uitgebreider dan noodzakelijk omdat deze ook nog de beslissing meedeelt als grootmoeder wel ontvankelijk zou zijn geweest in haar verzoek. De rechtbank had in dat geval het verzoek afgewezen in het belang van het kind. De rechtbank roept beide partijen op om te werken aan het herstel van de onderlinge verhoudingen.

In het in het kader van de identiteitsontwikkeling is het wenselijk dat een kind onbelast contact heeft met zijn grootmoeder. Het zou dan ook in de ontwikkeling van het kind wenselijk zijn dat verzoekster een rol van grootmoeder in zijn leven kan vervullen op den duur, mits dit op een onbelaste wijze kan plaatsvinden.

Volledige uitspraak

Grootmoeder procedeert voor omgang met haar 4 kleinkinderen. De verweerder ditmaal niet 1 ouder, maar gewoon 2 ouders die bij elkaar wonen. Het hof wijst de omgangsregeling af omdat de contacten tussen de grootmoeder en de kinderen niet anders zijn geweest dan de gebruikelijke, in het dagelijks verkeer plaatsvindende, familiecontacten tussen een grootmoeder en haar kleinkinderen. De grootmoeder heeft onvoldoende kunnen aantonen dat zij een substantieel deel van de verzorging van de kinderen voor haar rekening heeft genomen. Ook was er geen sprake van een structurele oppasregeling.

Naschrift: Zoals hierboven beschreven leidt procederen tot een catch-22. De Raad voor de Kinderbescherming overweegt dat de kinderen gebaat zijn bij een onbelast contact met hun grootmoeder. Het voeren van procedures is contraproductief en dit moet stoppen. Zou van de ouders redelijkerwijs verwacht mogen worden dat zij in het belang van de kinderen het contact met de grootmoeder bevorderen?

Volledige uitspraak

Lees ook dit

  1. Er vindt zelden objectieve toetsing plaats door de Raad voor de Kinderbescherming en rechtspraak van de hechtingsband tussen het kind en de verzoeker.
  2. De kans op succes is laag als er (hooglopende) conflicten zijn tussen de verzoeker en de ouder van het kind.
  3. Een nauwe persoonlijke betrekking kan er zijn en dan weer niet, deze moet dus worden onderhouden.
  • In hoeverre gesproken kan worden van een nauwe persoonlijke betrekking.
  • In hoeverre er zwaarwegende contra-indicaties zijn.

Deel dit

Laatst bijgewerkt op: