Thema · Vaccinatie van je kind

Bijgewerkt: 24 juli 2020 | Wetsingang: Art. 1:253a lid 1 BW | Leestijd: 14 minuten

Hoewel een ruime meerderheid van de Nederlanders zijn kinderen laat inenten conform het rijksvaccinatieprogramma, is er een minderheid die tegen vaccineren is.

Hiertoe worden globaal 4 argumenten naar voren gebracht tw:

  • Geloofsovertuiging.
  • (Antroposofische) Levensstijl,
  • De eigen kracht van het immuunsysteem van het kind.
  • Vermeende schadelijkheid van de vaccinaties zelf (en de hulpstoffen die gebruikt zouden worden).

Zonder aanwezigheid van een medische indicatie bij het kind, is door verschillende gerechtshoven vaccinatie steeds in het belang van het kind geacht. Tegenover het belang van de ouder(s) staat het belang van het kind, dat “een overweging van eerste orde” dient te zijn. Het kind heeft recht op de hoogst mogelijke standaard van gezondheidsbevordering.

Niet alle lagere kinderrechters volgen deze lijn echter. Dit wat de uitkomst van een rechtszaak bij de rechtbank helaas onzeker maakt. Laat je echter niet ontmoedigen. In de praktijk blijkt steeds vaker dat uiteindelijk de rechterlijke beslissing vóór vaccineren uitvalt.

Kortom, vind je dat jouw kind wel gevaccineerd moet worden en wil de mede-gezagdragend ouder daaraan niet meewerken? Je kunt de rechter om vervangende toestemming tot vaccinatie vragen. Houd er wel rekening mee dat je ook nog naar het gerechtshof moet.

Onze familierecht-praktijk helpt welwillende ouders in scheidingssituaties die extreem gepolariseerd zijn. We begrijpen voor welke opgave je staat, zowel persoonlijk als juridisch. We kunnen je helpen. Meer info? Contact ons vrijblijvend en vertrouwelijk. Lees enkele klantervaringen.

Rechtspraak

Vaccinatie toegestaan

3 kinderen staan onder toezicht en zijn ondergebracht bij verschillende pleeggezinnen. De kinderen volgen het Rijksvaccinatieprogramma niet omdat de moeder dit niet wil en zich beroept op de wil van God. De vader heeft in een andere procedure inmiddels ook ouderlijk gezag gekregen en staat achter vaccinatie.

De rechtbank verleent de Gecertificeerde Instelling na een uitvoerige inhoudelijke afweging vervangende toestemming voor vaccinatie, echter verklaart de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad.

Naschrift: Wat opvalt is dat de rechtbank de beoordeling ruimer trekt tw of de kinderen daadwerkelijk een verhoogd risico lopen. Opmerkelijk daarin is dat de rechtbank eveneens de eventuele beschikbaarheid van ‘immuniteit van de context’ waarin de kinderen zich begeven meeweegt.

Volledige uitspraak

Een moeder wil haar 2 kinderen niet vaccineren. De vader wordt gedwongen te procederen. Hof Den Haag beslist andermaal vóór vaccinatie en wel zo spoedig mogelijk. Daarom is de uitspraak ‘uitvoerbaar bij voorraad’ wat betekent dat de vader met de vervangende toestemming direct een afspraak kan maken met JGZ ten behoeve van de vaccinaties.

Hof Den Haag overweegt verder het volgende: De afspraak om de minderjarigen wel of niet te vaccineren is geen afspraak waar de ouders niet op terug kunnen komen. Ouders moeten het belang van hun kinderen dienen en voortschrijdend inzicht kan tot de conclusie leiden dat een eerder gemaakt afspraak hiermee in strijd is. Nu de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen belast zijn en er een verschil van mening bestaat over de inenting van de minderjarigen, kan dit geschil aan de rechter worden voorgelegd. (…) Het hof is van oordeel dat, hoewel op zichzelf juist is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de moeder niets heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze minderjarigen meer risico lopen dan enig ander kind.

Volledige uitspraak

Een moeder wil haar 3 kinderen niet laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma omdat de vaccins naar haar mening schadelijke stoffen bevatten. Het Gerechtshof Den Bosch overweegt langs de gebruikelijke weg dat vaccineren meer in het belang is van de kinderen vanwege mogelijke gezondheidsrisico’s.

Het hof weegt verder nog mee dat de vader in zijn nieuwe relatie een kindje heeft gekregen en die extra gevaar zou kunnen lopen door contact met de andere ongevaccineerde kinderen van vader.

Het hof wijst wel het verzoek van vader af van de HPV vaccinatie voor de oudste, ook omdat het kind dan kan meebeslissen en die beslissing 2 jaar in de toekomst is.

Volledige uitspraak

Een vader verzet zich tegen volledige RVP-vaccinatie van zijn gedeeltelijk gevaccineerde kinderen. Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn vóór vaccinatie.

  • Geen bijzondere medische omstandigheden.
  • Bijsluiters van de BMR en MenC-vaccins niet voldoende redengevend.

Verder faalt een beroep op de artikelen 6 en 11 van de Grondwet en artikel 8 EVRM omdat dit een beslissing is die zich binnen de keuzevrijheid bevindt van de gezagdragend ouders.

Naschrift: Vader wordt niet in de proceskosten van de moeder veroordeeld. We vinden dit onbegrijpelijk. Inmiddels is voldoende in de rechtspraak duidelijk wat de lijn is qua RVP-vaccinatie. Als ouder juridische kosten uitlokken bij de andere ouder zonder ‘enigszins kansrijk standpunt’ zou niet zonder consequenties moeten blijven. 

Volledige uitspraak

Man procedeert vóór vervangende toestemming vaccinatie Rijksvaccinatieprogramma. Krijgt bij zowel Rechtbank Amsterdam als Gerechtshof Amsterdam gelijk. Mag zijn bijna 2 jarige kind laten vaccineren, uitvoerbaar bij voorraad.

De moeder voert globaal de bekende argumenten aan tw:

  • Vermeende schadelijkheid van de toevoegingen (aluminium en formaldehyde).
  • Onvoldoende bewezen positieve effecten.
  • Dat het kind gezond is.
  • Dat zij wenst dat het kind op natuurlijke wijze het immuunsysteem opbouwt.
  • Dat zij met homeopathische profylaxe de immuniteit wil opbouwen.

Daarnaast echter doet zij een beroep op haar ‘grondwettelijke rechten’ en die van het kind evenals het recht van het kind op lichamelijke integriteit.

Het gerechtshof gaat voorbij aan al deze zaken om in het belang van het kind:

  • Vaccinatie in het belang van het kind.
  • Alternatieven wortelen niet in erkend en gefundeerd wetenschappelijk onderzoek.
  • Moeder heeft niet aangetoond dat er een verhoogde kans is bij het kind op de vermeende extra schadelijke effecten van wel vaccineren.

Volledige uitspraak

Een Fiduon-zaak in twee instanties (o.i. volstrekt onnodig). Ditmaal een vader die procedeert om zijn 7-jarige kind de bescherming te geven van het Rijksvaccinatieprogramma. Moeder is tegen en voert daarvoor globaal de volgende argumenten aan:

  • Vaccinatie leidt ertoe dat het recht van het kind om veilig en gezond op te groeien wordt geschonden.
  • De vaccinaties zijn niet voldoende onderzocht.
  • Het niet-toedienen van de vaccinaties draagt bij aan een hoge gezondheidsstandaard voor het kind.
  • Het nut voor de volksgezondheid is niet aanwezig nu het Rijksvaccinatieprogramma vrijwillig is.
  • De ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn niet dodelijk.
  • Het kind heeft voldoende immuniteit omdat deze regelmatig verkouden is geweest en de gangbare kinderziekten zoals waterpokken heeft doorstaan.
  • Het een feit van algemene bekendheid is, dat er twijfels zijn over het standaard uitvoeren van het Rijksvaccinatieprogramma.
  • Het RIVM zou geen toezeggingen kunnen doen dat de vaccinaties niet schadelijk zijn voor een kind van 7 jaar.

Rechtbank Den Haag geeft moeder in eerste instantie gelijk en geeft vader geen vervangende toestemming. Dit ondanks afwezigheid van medische contra-indicaties bij het kind en de heersende lijn in de rechtspraak.

Het hof: Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Het hof acht het dan ook niet in het belang van de minderjarige dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen zijn, wordt blootgesteld.

Moeder heeft niets gesteld waaruit blijkt dat het kind een grotere kans heeft op bijwerkingen of dat ze bij het kind ernstiger zullen verlopen.

Het kind bouwt, zolang zij niet is gevaccineerd geen bescherming op waardoor de kans op ziekte groter is. Het hof acht het dan ook in het belang van het kind dat zo spoedig als mogelijk met het vaccineren wordt gestart. De beschikking is daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Volledige uitspraak

Uit huis geplaatst kind. Gezag nog bij beide ouders. De Gecertificeerde Instelling (GI) verzoekt vervangende toestemming te verlenen om het kind te vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma. De bevoegdheid van de GI daartoe is vastgelegd in art. 1:265h BW. De GI treedt in samenspraak met de moeder hierin op tegen een vader die weigert in te stemmen met vaccinatie.

Rechter vindt dat vaccinatie niet noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind af te wenden. Echter beziet het verzoek van de GI mede in het licht van de reguliere procedure voor vervangende toestemming nu voldoende vast staat dat moeder wel en vader niet wil vaccineren e.e.a. ook “ter voorkoming van een nieuwe, kostbare en tijdrovende procedure”.

De argumentatie vóór toewijzing van de rechtbank is min of meer standaard: “(…) met name gelet op het feit dat het in Nederland, onder een grote meerderheid van de bevolking, gangbaar is kinderen te vaccineren omdat dat in hun belang wordt geacht (…). Inenten volgens het genoemde programma voorkomt immers het ontstaan van een aantal ernstige ziektes bij het ingeënte kind.”

Beschikking uitvoerbaar bij voorraad, waardoor niet eerst de hoger beroep termijn moet worden afgewacht. Extra voordeel voor moeder; geen juridische kosten nu GI de zaak heeft aangebracht.

Volledige uitspraak

In deze zaak werd door moeder gebruikelijke argumenten tegen vaccinatie ingebracht, t.w.:

  • vermeende risico’s voor het kind (mede op basis van informatie de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken);
  • geen dwingende noodzaak voor vaccinatie;
  • dat het kind de mogelijkheid moet krijgen het eigen immuunsysteem te ontwikkelen; en
  • vermeende (toxische) hulpstoffen in de vaccins en het ‘zelfbeschikkingsrecht’ van het kind.

De rechtbank overwoog dat het rijksvaccinatieprogramma als doel heeft (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten. Gelet hierop is dit programma in het belang van het kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gevoerde overheidsbeleid door medici breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid steunt en kinderen daaraan laat deelnemen. Daaraan doet niet af dat er ook deskundigen zijn die daar kritisch tegenover staan. Het laten vaccineren van het kind volgens het rijksvaccinatieprogramma is het meest in haar belang.

Volgens de rechtbank is eveneens niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake zou zijn van een schending van het ‘zelfbeschikkingsrecht’.

Beschikking niet ‘uitvoerbaar bij voorraad’ op het punt van de vervangende toestemming vaccinatie. Dit betekent dat op dit punt nog wel hoger beroep kan/kon worden ingesteld.

Volledige uitspraak

Deze samenvatting is gedestilleerd uit deze hoger beroep zaak die diende bij Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Zie link naar na-gepubliceerde rechtbank uitspraak onderaan.

Vader (met gezag) met slechts een zeer beperkte begeleide contactregeling verzoekt vervangende toestemming aan de rechter omdat de moeder weigert zijn dochter te vaccineren conform het Rijksvaccinatieprogramma.

De moeder verweert zich op basis van de eigen overtuiging dat haar dochter in de afgelopen twee jaren haar immuunsysteem op natuurlijke wijze heeft opgebouwd. Haar dochter heeft niet te kampen gehad met gezondheidsproblemen. Het volgende vaccinatiemoment is pas van toepassing wanneer het kind 4 jaar wordt. De vraag zou zijn of het alsdan mogelijk is om een inhaalslag te maken en of dit wenselijk is, welke effecten dit heeft op het kind. Er is geen acuut dreigend gevaar voor het kind. Tevens stelt ze dat er volgens de huisarts geen directe noodzaak bestaat voor het vaccineren van kinderen en dit evenmin verplicht is.

De rechtbank gaat hier niet in mee en geeft de vader vervangende toestemming ‘uitvoerbaar bij voorraad’ om zijn dochter het Rijksvaccinatieprogramma te laten volgen en specifiek te vaccineren met:

  • 3 x DKTP-HepB(-Hib)-vaccinatie, volgens een schema van 0-1-6 maand;
  • 1 x BMR;
  • 1 x MenACWY.

Deze zaak heeft nog een staartje gekregen. Door de begeleide contactregeling is vader feitelijk niet in staat gebleken om zijn dochter te laten vaccineren en de vervangende toestemming dus te effectueren. Moeder wilde echter niet meewerken en vader trachtte via een kort geding moeder alsnog tot medewerking te dwingen, op straffe van een dwangsom.

De rechtbank wees de vordering van de vader af. In hoger beroep vond het hof een oplossing door in het bijzijn van de Raad voor de Kinderbescherming een comparitie te gelasten, onder de aankondiging dat als de uitkomst daarvan zou zijn dat moeder alsnog niet zou meewerken, dat de raad toestemming krijgt voor het doen laten uitvoeren van de vaccinatie via een artikel 1:265h BW procedure.

Volledige uitspraak

Stichting Jeugdbescherming Brabant vorderde vaccinatie van een kind van ongeveer 2 jaar dat onder toezicht was gesteld. Informatie op het internet had ouders ervan overtuigd om niet akkoord te gaan met het Rijksvaccinatieprogramma. De kinderrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het ontvangen van vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid het kind af te wenden. Echter, dat artikel 3 lid 1 IVRK aangeeft dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging dienen te zijn en in de regel de doorslag behoren te geven. Tegen die achtergrond zal de kinderrechter het verzoek van de GI desondanks toewijzen. De enkele stelling van de ouders dat informatie op het internet hen ervan heeft overtuigd om niet akkoord te gaan met vaccineren, mede gelet op het in artikel 3 lid 1 IVRK neergelegde uitgangspunt, weegt onvoldoende op tegen een mogelijk ‘verhoogd risico’ op vatbaarheid voor kinderziekten van het kind.

Volledige uitspraak

In deze situatie wilde vader wel en moeder niet dat het kind de laatste fase (3) van het rijksvaccinatieprogramma ook zou ‘ontvangen’. Het ging hier om DTP en BMR vaccinaties die de laatste 5% van de kinderen bescherming biedt. De eerdere fasen waren reeds doorlopen met instemming van de moeder en de vader.

Het hof overweegt dat van overheidswege een vaccinatieprogramma is opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen. Hoewel er de afgelopen jaren ook andere opinies naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog steeds dat het vaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden gevolgd.

Het kan zijn dat 95% van de kinderen al voldoende weerstand heeft opgebouwd tegen DTP en BMR en fase 3 daarom in feite slechts noodzakelijk is voor 5% van de kinderen. Desondanks vindt het hof de Fase 3-vaccinatie van het meest in het belang van het kind, ook omdat uitzoeken of een kind al dan niet bij de 5% hoort te belastend zou zijn.

Volledige uitspraak

Moeder wilde het kind niet vaccineren conform het rijksvaccinatieprogramma vanwege het risico dat het kind schade zou lopen door de inentingen. Ook stelt zij de antroposofische levenswijze aan te hangen en dat zij om die reden het kind niet wenst te confronteren met lichaamsvreemde stoffen.

Het hof overweegt dat het rijksvaccinatieprogramma beoogt kinderen door middel van inenting te beschermen tegen ziekten die voor hen schadelijk kunnen zijn. In die visie is vaccineren in het belang van het kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid volgt en kinderen laat deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Gelet hierop acht het hof het in het belang van het kind dat hij wordt gevaccineerd. Daaraan doet niet af dat er ook medici zijn die kritisch staan tegenover het rijksvaccinatieprogramma. De antroposofische levensstijl van de moeder is van onvoldoende gewicht om hiervan af te wijken.

Het hof oordeelde verder de moeder niets heeft gesteld op grond waarvan aangenomen kan worden dat het kind meer risico loopt dan enig ander kind.

Verder is hier nog van belang dat moeder stelde dat het een gezamenlijke beslissing was van de ouders om niet te vaccineren. Volgens het hof stond het de vader vrij om van gedachten te veranderen.

Volledige uitspraak

Het kind stond onder toezicht van bureau jeugdzorg. Ouders weigerden mee te werken aan vaccinatie van het kind overeenkomstig het rijksvaccinatieprogramma. Moeder had haar geloofsovertuiging aangevoerd als reden tegen de pneumokokken vaccinatie. Ze beriep zich verder erop dat anderen in haar geloofsgemeenschap geen van de ziekten gehad zou hebben gehad en dat pneumokokken goed te behandelen zou zijn met antibiotica.

Het hof overweegt dat gezien de ernstige gevolgen die een pneumokokkeninfectie kan hebben het noodzakelijk is dat het kind daartegen wordt beschermd door middel van vaccinatie teneinde “ernstig gevaar voor zijn gezondheid” te voorkomen.

Tegenover het belang van de moeder staat het belang van het kind om veilig en gezond op te kunnen groeien.

Volledige uitspraak

Vader wilde graag dat zijn kind gevaccineerd zou worden overeenkomstig het rijksvaccinatieprogramma. Moeder verzette zich hiertegen met de argumentatie dat de kinderen in haar visie lichamelijke klachten zouden ondervinden van de bijwerkingen van de vaccinaties. Moeder overlegde daartoe eveneens informatie van de Vereniging Kritisch Prikken.

Het hof overwoog dat hoewel uit die informatie blijkt dat ernstige bijwerkingen kunnen optreden na inentingen van kinderen, uit die informatie niet volgt dat dit bij deze kinderen zou optreden. Ook had de moeder dit niet anderszins aannemelijk gemaakt.

Volledige uitspraak

Vaccinatie afgewezen

Wij beschikken over een recente niet-gepubliceerde rechtbankuitspraak waarin een rechter een minderjarige zonder medische contra-indicatie de toegang tot de bescherming van het Rijksvaccinatieprogramma ontzegt. Dit ongeacht de ogenschijnlijke consensus, ook in de rechtspraak, dat vaccinatie in het belang is van het kind. Inmiddels heeft het hof deze omissie gecorrigeerd en onze cliënt alsnog vervangende toestemming gegeven.

Lees ook dit

  1. Argumenten die worden ingebracht tegen vaccinatie van het kind conform het Rijksvaccinatieprogramma zijn veelal geloof, (antroposofische) levensovertuiging, vrijwilligheid, onvoldoende onderzoek, toevoegingen of vermeende schadelijkheid van eventuele bijwerkingen van vaccinatie voor het kind.
  2. In beginsel ligt er een taak bij de ouder die niet wil vaccineren om aan te tonen waarom niet-vaccinatie meer in het belang van het kind is dan de de facto standaard van wel-vaccineren.
  3. De tegen-vaccinatie-ouder moet aantonen dat eventuele bijwerkingen van de vaccinaties meer zullen zijn dan wat gebruikelijk is voor andere kinderen (en dat de kans dat ze zullen optreden reëel is).
  4. De kans op toewijzing van het verzoek bij een gerechtshof is groter dan bij de rechtbank.
  5. Veelvuldig worden argumenten van de NVKP van stal gehaald door niet-vaccinatie-ouders.
  • In hoeverre – door de ouder die wil afwijken van de heersende leer – is aangetoond dat dit recht uitgaat boven het recht van het kind op een zo hoog mogelijke standaard van gezondheidsbevordering, wat het rijksvaccinatieprogramma is.