← Terug
/ Kennisbank / Vraag en antwoord /Ouderlijk gezag/Informatieplicht: Hoeveel informatie mag ik verwachten?

Informatieplicht: Hoeveel informatie mag ik verwachten?

Bijgewerkt: 18 februari 2026
Je mag zoveel informatie van de andere ouder over je kind verwachten als nodig om aangehaakt te blijven aan het leven van je kind (bij die ouder), dat je kunt deelnemen aan besluitvorming over gewichtige verzorgings- en opvoedaspecten én zodat de informatieverstrekking de band bevordert die je hebt met je kind. Dat is wat samengevat de informatieplicht van ouders omvat.

Dit antwoord is echter veel meer omvattend dan in de rechtspraak gebruikelijk is. Hierin zien we overwegend dat ouder worden opgeroepen zich er aan te houden. Aan het zich er niet of onvoldoende aan houden wordt evenwel zelden tot nooit consequenties verbonden en hier ligt o.i. nadrukkelijk een opdracht voor de rechtspraak. Voor een voorbeeld van zo een oproep lees je in deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam. Hierin overweegt de rechter o.a.:

Sinds de minderjarige bij de man verblijft heeft zij nauwelijks contact met hem gehad. Ook de man heeft nagelaten de vrouw te informeren over hoe het gaat met de minderjarige, zelfs toen de minderjarige naar de spoedeisende hulp moest vanwege een vermoedelijke blindedarmontsteking. Dat baart de rechtbank grote zorgen. De rechtbank begrijpt de houding van de man niet en hoopt dat de man inziet dat zijn houding schadelijk is voor de minderjarige. Het is aan de man om de vrouw te informeren en, als de minderjarige bij hem verblijft, te stimuleren dat de minderjarige contact heeft met de vrouw. Ook van de vrouw mag worden verwacht dat zij over zaken die de minderjarige betreffen rechtstreeks het contact zoekt met de man. Het is aan beide partijen om over hun schaduw heen te stappen en te zorgen voor gedegen onderlinge communicatie zonder daarbij de minderjarige te belasten.

Niet slechts informatie over ‘belangrijke’ zaken en/of die normstellend zijn

Over het type onderwerpen dat de informatieplicht omvat is in de Memorie van Toelichting van wetsvoorstel 23012 o.a. het volgende opgemerkt;

Voorts wordt uitgegaan van een expliciete gehoudenheid van de met het gezag belaste ouder om de andere ouder over gewichtige verzorgings– en opvoedingsaspecten te informeren en indien terzake beslissingen moeten worden genomen hem vooraf te raadplegen, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van derden. (…) Naast omgang en de bereidheid om te komen tot goede afspraken op dat punt is ook de bereidheid tot overleg met elkaar over zaken die van belang zijn voor de ontwikkeling van het kind, in het belang van dat kind, in het bijzonder van een goede ouder-kind relatie. Is er een omgangsregeling getroffen, dan zal de medewerking die de met het gezag belaste ouder daaraan behoort te verlenen, reeds inhouden dat laatstgenoemde ouder de ander in voldoende mate op de hoogte houdt van het wel en wee van het kind.

In de Memorie van Toelichting staat echter ook het volgende:

In de tekst wordt gesproken van «gewichtige aangelegenheden». Hieruit mag evenwel niet worden geconcludeerd dat het in het dagelijkse leven geen regel is de andere ouder bij het wel en wee van het kind te betrekken. In feite behoort het zo te zijn dat de niet met het gezag belaste ouder die bij de opvoeding betrokken wil blijven, daartoe door de andere ouder in de gelegenheid wordt gesteld. Omdat dit niet voor iedere ouder een vanzelfsprekende zaak is, wordt de informatie– en consultatieplicht over gewichtige zaken als een minimumvoorwaarde gesteld.

Samengevat zijn gewichtige aangelegenheden dus het minimum en dient de ouder met het gezag de andere ouder dus te betrekken bij niet-gewichtige aangelegenheden indien deze ouder op dat niveau betrokken wil zijn bij de verzorging- en opvoeding van het kind (hetgeen in de praktijk veelal het geval zal zijn).

Vastgestelde informatieregelingen met onvoldoende kwaliteit en frequentie

Verzoekt een ouder de rechter een informatieregeling vast te stellen, dan zien vooral regelingen die ouders op achterstand houden. Dit gebeurt door van de hoofdverblijfouder geen ruimhartige en intensieve informatieverstrekking te verlangen. Tevens wordt de verplichting die deze ouder heeft om de andere ouder te raadplegen (de consultatieplicht) veelal volledig genegeerd, wat haaks staat op de wettelijke plicht van deze ouder. De rechtsingang voor de informatie- en consultatieplicht is bij eenhoofdig gezag artikel 1: 377b BW en bij gezamenlijk gezag artikel 1:253a lid 2 onder c BW.

Artikel 1:377b lid 1 BW:
1. De ouder die met het gezag is belast, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2. Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.

Informatieregelingen zijn veelal eenmaal per 1 tot 3 maanden een bericht op hoofdlijnen, zie voor een voorbeeld deze uitspraak van Gerechtshof Den Bosch. Er worden zachte kwalificaties gebruikt als ‘de ouder op de hoogte houden’ en informatieverstrekking over ‘het welzijn en de ontwikkeling van het kind’. Het zijn bijna altijd regelingen die de ouder met de informatievoorsprong niet prikkelen om kwalitatief hoogwaardige informatie te verstrekken.

Het spreekt voor zich dat zo een informatieregeling in de meeste gevallen totaal niet voldoende is om te voldoen aan het hiervoor omschreven doel. De berichten die er wél komen zijn (vanzelfsprekend) veelal ‘jubel’-berichten, zoals hoe goed het gaat met het kind (lees: zonder de aanwezigheid van de andere ouder), of hoezeer het kind nog leidt onder waar die andere ouder schuld aan zou hebben.

Als de hoofdverblijfouder er zich (opzettelijk) makkelijk van afmaakt door nauwelijks zinvolle informatie te verstrekken of zelfs bijvoorbeeld oude foto’s toezendt, dan komt die ouder in de meeste gevallen er gewoon mee weg. Niet alleen is een rechtszaak over nakoming van de informatieregeling meestal te kostbaar, ook wordt zelden tot nooit een dwangmiddel verbonden aan de kwalitatieve aspecten van de informatieregeling.

Een positieve uitzondering hierop is deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam. Deze verdient o.i. navolging en daarom lichten we hem hier ook uit. Het betreft een situatie waarin een moeder geen contact meer heeft met haar 3 kinderen waarvan er 2 nog minderjarig zijn en waarin bij een eerdere zitting een 2-wekelijkse informatieregeling is vastgesteld. De vader wil naar 1 keer per maand omdat er ‘niet altijd iets te melden is’.

De rechter is het hiermee niet eens en overweegt het volgende:

“De rechtbank benadrukt het belang van het verstrekken door de man van informatie over [naam05] en [naam06] zolang er tussen hen en de vrouw geen contact is. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat er altijd iets te vertellen valt over de dagelijkse bezigheden van de kinderen (zoals hun bezigheden thuis en op school, hun interesses, vriendschappen en mogelijke bijbaan). Die informatie – hoe triviaal wellicht in de ogen van de man – is voor de vrouw van wezenlijk belang zolang zij geen contact heeft met de kinderen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de in de informatieregeling bepaalde frequentie van informatieverstrekking te verminderen en wijst de man erop dat hij niet kan volstaan met de opmerking dat er niets te melden valt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man in staat moet worden geacht iedere 2 weken een bericht van minimaal 300 woorden per minderjarige plus een goed gelijkende (kleuren)foto van iedere minderjarige aan de vrouw te zenden.”

Hoe de rechter hier redeneert juichen we toe. Het verstrekken van informatie dient meerdere doelen. Hiervan is één omdat het voor de moeder (persoonlijk) van ‘wezenlijk belang’ is, hetgeen volledig invoelbaar is. Hoewel het niet zo is geformuleerd door de rechter, is op basis van hoe de rechter hier redeneert o.i. te stellen dat het in onvoldoende mate verstrekken van informatie een schending oplevert van ‘het recht privéleven’ van 8 lid 1 EVRM.

Artikel 8 lid 1 EVRM:
Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In een een andere zaak, ditmaal bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wordt een moeder die een minimale omgang heeft met haar kind het ouderlijk gezag ontnomen. Hierdoor verliest moeder de mogelijkheid om zelfstandig informatie te vragen bij o.m. professionals. Het hof overweegt in deze uitspraak dat juist in de situatie dat de moeder geen gezag heeft, het van groot belang is dat de moeder voldoende betrokken blijft om goed invulling te kunnen geven aan haar rol als ouder. Ook deze normstelling juichen we toe, echter zien we deze door de rechtspraak nog niet uniform toegepast worden in vergelijkbare situaties. Ook is het andermaal een subjectieve norm. Wie bepaalt tenslotte wanneer vader voldoende informatie verstrekt? Dit zal moeder dan weer gerechtelijk moeten laten toetsen. En dit geeft o.i. teveel ruimte aan een hoofdverblijfouder, ruimte die we hier in de praktijk veel misbruikt zien worden.

In deze uitspraak van Gerechtshof Den Haag is ‘informatie’ wederom een kerngeschil. Hierin had Rechtbank Den Haag de vader het ouderlijk gezag ontnomen omdat geparafraseerd: ‘de communicatie te slecht zou zijn’. Zodra de vader zijn gezag verloor nam de moeder evenwel diverse belangwekkende gezagsbeslissingen zonder de vader daarover te informeren (of consulteren, toevoeging o.z.). De strijd die hieruit vervolgens voortvloeide tussen de ouders vond het hof niet in het belang van de kinderen, wat één factor was om het ouderlijk gezag aan de vader weer terug te geven.

Tot slot deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Deze was ingeleid door een zgn ‘informele rechtsingang’ van het kind, waarin deze vroeg dat de moeder geen informatie meer over hem zou krijgen. De rechter geeft echter ‘gewicht’ aan het informatierecht en overweegt daartoe o.m.:

Met de moeder is de kinderrechter het eens dat de informatieverplichting een fundamenteel recht is waar niet zomaar aan getornd kan worden. Hiermee moet voorzichtig worden omgegaan, zelfs in de hypothetische situatie dat de moeder geen gezag over [minderjarige] zou hebben. Een inmenging in dat recht vraagt dan ook om grondig onderzoek. Dat onderzoek is niet verricht. Op grond van de ingewonnen informatie tijdens de zitting is voor de kinderrechter onvoldoende komen vast te staan dat de situatie van [minderjarige] vraagt om het buiten toepassing verklaren van de wettelijke informatieplicht. De kinderrechter heeft voor nu dan ook onvoldoende handvatten gehoord om de bestaande informatieregeling stop te zetten en daarmee af te wijken van het wettelijk uitgangspunt.

Kan de GI bij een ondertoezichtstelling hierin vooruit stappen?

Als een ouder zich niet houdt aan de informatieplicht (en de consultatieplicht) dan staat dit in de meeste gevallen in de weg aan het bereiken van het doel dat elke ondertoezichtstelling in beginsel beoogt; namelijk: dat ouders weer in staat (zullen) zijn om de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid uit te oefenen.

Volgens deze uitspraak van Gerechtshof Den Bosch kan het van een ouder met het gezag gevergd worden dat deze informatie verstrekt en in deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant stapte de betrokken GI vooruit en gaf i.c. de vader een schriftelijke aanwijzing om de moeder maandelijks van informatie te voorzien. De vader volgde die echter niet op en daarom verzocht de GI de rechter om de informatieregeling te bekrachtigen, hetgeen deze deed onder oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.

Overigens in deze zaak misten zowel de GI, de Raad voor de Kinderbescherming én de rechter dat de vader ook een consultatieplicht en toestemmingsplicht heeft aangaande gezagsbeslissingen. Door dit niet ook expliciet te regelen gaf de rechter de vader feitelijk indirect mandaat om zich hier niet aan te houden (overigens dus zonder deugdelijke motivering).

Een andere variant is dat de rechter de inhoud, vorm en frequentie van de informatieregeling kan overlaten aan de betrokken GI. Zo een beslissing lees je in deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Rechtspraak

Je leest een geactualiseerde selectie. Overweeg je juridische stappen na het lezen hiervan? Lees eerst hoe je een traject slim instapt.

Informatieregelingen die verder gaan

Een vader en zijn dochter hebben geen contact met elkaar. De moeder informeert en consulteert de vader ook niet (meer) over het kind. De moeder stelt o.m. dat door het ‘heimelijk maken van foto’s’ de band met haar kind onder druk komt te staan.

Het hof gaat hierin niet mee en overweegt o.m. dat:

Met hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht is, behalve emotionele weerstand, geen enkele reden gegeven waarom het sturen van een foto van [minderjarige] aan de man bezwaarlijk zou zijn. Het hof ziet daarom geen reden om af te wijken van de vastgestelde informatieregeling die tevens het sturen van een foto van [minderjarige] aan de man omvat. Het hof is van oordeel dat het de taak van de verzorgende ouder is om deze minimale informatie, inclusief foto, aan de andere ouder te verstrekken.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De ouders worden naar hulpverlening gezonden om o.m. aan contactherstel te werken. De houding van moeder toont echter weinig goeds voor de uitkomst. Het niet naleven van de informatie- en consultatieplichten en het noodzakelijk zijn van een gerechtelijke regeling daaromtrent, toont ook dat moeder zich niet houdt aan haar plicht om de banden tussen het kind en de vader te bevorderen.

Een vader start een procedure bij de rechtbank Noord-Holland omdat hij geen contact meer heeft met zijn dochter en duidelijkheid wil over omgang en informatie. De rechtbank vindt omgang nu te belastend voor het kind, dat ernstige weerstand en angst richting de vader heeft, en wijst de omgangsregeling af. Wel oordeelt de rechter dat de vader goed geïnformeerd moet blijven nu hij zijn omgangsrecht tijdelijk opzijzet in het belang van het kind. De moeder moet de vader daarom eenmaal per twee maanden een uitgebreid schriftelijk bericht sturen (minimaal 300 woorden) over school, gezondheid, hulpverlening en dagelijks leven, plus elke vier maanden een recente foto en video van het kind. Zo blijft de vader aangesloten bij het leven van het kind en kan later eventueel contactherstel beter worden opgebouwd.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Hoewel de rechtbank meer kwalitatieve elementen opneemt en ook een ‘volume-eis’ opneemt van 300 woorden toont het toch weinig doortastendheid. Feitelijk toont de uitspraak slechts hoe het systeem een ouder op afstand vooral op afstand houdt en de hoofdverblijfouder onvoldoende houdt aan diens ouderlijke plichten. Wat verder zichtbaar ontbreekt is de toetsing van de naleving van deze plicht voordat de vader dit verzocht.

Een moeder heeft nauwelijks contact meer met haar kinderen en de vader informeert haar onvolledig en te laat.

Het hof overweegt het volgende:

Het hof acht het in het belang van de kinderen wenselijk dat de vader de moeder eenmaal per maand schriftelijk of per e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen en over belangrijke zaken die hen betreffen, waaronder in ieder geval hun schoolgang, vrijetijdsbezigheden, gezondheid en medische zaken. Hierdoor kan de moeder op de hoogte blijven van de ontwikkeling en leefwereld van de kinderen en kan zij beter bij hen aansluiten mocht op enig moment alsnog contactherstel plaatsvinden. De kinderen hebben in het kindgesprek aangegeven dat zij ook wel begrijpen dat de moeder over hen geïnformeerd wil worden en dat zij daar op zichzelf geen bezwaar tegen hebben. Zij hebben wel de wens uitgesproken dat dit in een context gebeurt waarbij niet (langer) met de moeder gestreden hoeft te worden over aangelegenheden zoals financiën, paspoorten/identiteitsbewijzen en inschrijving bij huis- of tandarts.

Aan de zijde van de vader geldt dat een enkele zin dat het met de kinderen goed gaat of een verwijzing naar de hockey- dan wel schoolapp, waarvoor de vader ook wel kiest, niet volstaat Aan de andere kant is het ook niet de bedoeling dat de moeder reageert met een groot aantal vragen op de berichten van de vader met informatie over de kinderen. Het is aan beide ouders om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen en elkaar op passende manier te benaderen. Indien dit niet lukt is het raadzaam daarbij, gezamenlijk of ieder voor zich, hulp in te roepen.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Maandelijks is al beter dan eens per kwartaal. Het hof wijst de vader erop dat zijn berichten kwalitatief onder de maat waren, echter verzuimt te toetsen waarom dit niet zelf door de vader is bedacht en waarom hij daarop ook niet heeft gehandeld. In hoeverre kan het een ouder die verder verstoken is van contact werkelijk worden aangerekend dat deze ‘veel vragen’ stelt?

Een moeder heeft de begeleide omgang tussen de vader en zijn kind van 2 gestopt omdat de begeleiding heeft aangegeven de begeleiding niet te kunnen voortzetten (en er geen noodzaak toe te zien). De vader vordert nakoming. De rechter beslist o.m. tot een raadsonderzoek, een beperkte wekelijkse videocontactregeling en legt tevens een informatieregeling aan de moeder op:

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader wekelijks via Whatsapp foto’s zal sturen van [minderjarige] één keer per maand per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige].

Volledige uitspraak

Een moeder heeft nauwelijks contact meer met haar kinderen en de vader informeert haar onvolledig en te laat. De kinderen staan onder toezicht.

De Raad voor de Kinderbescherming stelt het volgende:

“De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat gezamenlijk gezag betekent dat de ouders ook gezamenlijk beslissingen moeten nemen en dat dit met zich brengt dat zij over recente informatie moeten beschikken. Als een ouder slechts eenmaal per maand informatie ontvangt van de andere ouder is het niet mogelijk om samen (gezags-)beslissingen te nemen en kan het gezag feitelijk niet uitgeoefend worden. De raad heeft voorgesteld om na de zitting een document met een gedetailleerd kader voor informatieafspraken naar het hof en partijen te sturen. Dat kader voorziet in termijnen waarbinnen informatie uitgewisseld moet worden tussen de ouders, waarbij rekening gehouden wordt met de stem en de wensen van de kinderen zonder dat zij daarin de regie krijgen.”

Het hof overweegt het volgende:

“Het is belangrijk dat de moeder een beeld heeft van de recente ontwikkelingen in het leven van de kinderen, zodat zij kan aansluiten bij wat er in het leven van de kinderen speelt. Deze informatievoorziening is een basisvoorwaarde om het contact tussen de kinderen en de moeder te kunnen herstellen. De onderwerpen waar de vader de moeder (in ieder geval) feitelijke informatie over dient te verstrekken zijn: hobby’s, sport, school, sociaal leven en medische zaken. Dit sluit aan bij wat de moeder heeft verzocht. Wat betreft de school van [minderjarige 1] gaat het hof ervan uit dat de vader de moeder informeert voor zover het gaat om informatie die de moeder niet zelf van school kan krijgen (zoals via Magister). Van de vader mag bovendien verwacht worden dat hij, indien er onverwachte ingrijpende gebeurtenissen plaatsvinden in het leven van de kinderen (bijvoorbeeld op school, op medisch gebied of daarbuiten), de moeder daar onmiddellijk en uiterlijk binnen vierentwintig uur van op de hoogte stelt. Het hof zal deze regeling vastleggen.”

Volledige uitspraak

Naschrift:

Eindelijk weer eens een uitspraak waarin er wordt doorgepakt op het punt van de informatieregeling.

“De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man in staat moet worden geacht iedere 2 weken een bericht van minimaal 300 woorden per minderjarige plus een goed gelijkende (kleuren)foto van iedere minderjarige aan de vrouw te zenden.”

Volledige uitspraak

“bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per twee weken per e-mail informeert over de ontwikkelingen van de kinderen”

Volledige uitspraak

De informatieplicht begrenst door een onderzoeksplicht?

We zien soms dat er een verantwoordelijkheid wordt neergelegd de andere gezaghebbende ouder om zelf informatie te vergaren. Dit argument wordt dan ingezet om het niet-naleven van de informatieplicht – door de ouder die over de informatie beschikt – te vergoelijken. Zo ook de Raad voor de Kinderbescherming in deze uitspraak van Gerechtshof Amsterdam.

De informatieplicht van een gezaghebbende ouder jegens de andere ouder wordt in de wet (artikel 1:377b BW) echter slechts beperkt door het belang van het kind (wat een ouder overigens niet vrijelijk kan interpreteren), zie bijvoorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Den Haag. Dit betekent dat er geen wettelijke basis is om een vermeende onderzoeksplicht de informatieplicht te laten begrenzen.

Verder is het algemeen bekend dat de meeste professionals zich helemaal niet bezighouden met de vraag of er nog een andere ouder met het gezag is en op basis van de toestemming van één ouder overgaan tot bijvoorbeeld medische behandelingen. Dit maakt het dan ook feitelijk onmogelijk voor de andere ouder om deze informatie zelfstandig te vergaren. Zorgverzekeraars bijvoorbeeld leggen een expliciete blokkade op informatie over het kind in de systemen als deze op de polis bij de andere ouder is ingeschreven, zgn. vanwege de privacy van de polishouder.

Het omdenken van informatieregelingen

Het is van belang dat informatieregelingen worden ‘omgedacht’, met name door de rechtspraak. De rechtspraak dient consistent te gaan verlangen dat ouders ruimhartig omgaan met het (wederzijds) verstrekken van informatie over het kind of deze plicht bij die ouder wegnemen, zoals in deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam. Dit niet doen creëert de fundatie voor het klem raken (en blijven) van het kind. Het weerstand bieden tegen een ‘intensieve informatieregeling’ zou o.i. altijd een contra-indicatie moeten zijn voor de welwillendheid van een ouder. Het zonder rechterlijk mandaat niet-ruimhartig verstrekken van informatie is een vorm van (voortdurende) ex-partnerstrijd en daarmee een vorm van kindermishandeling.

Dit is vooral van belang in situaties waarin de andere ouder geen of weinig contact met het kind heeft, of bij ouderafwijzing. Geen of marginale informatie verstrekken leidt er bijvoorbeeld toe dat die ouder onvoldoende aangehaakt blijft en bijvoorbeeld niet meer (leedtijds-)adequaat bij het kind kan aansluiten. En dát is in strijd met de plicht van die ouder om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.

Overigens zien we wel af en toe dat er dwangsommen worden verbonden aan het geheel niet nakomen van een informatieregeling, zoals in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter, ook in die zaak is er niets gezegd over de kwaliteit van de door de moeder te verstrekken informatie. Onbegrijpelijk ons inziens.

NB: Lees je dit als hulpverlener, realiseer je dan dat informatie over het kind inperken één van de meest gebruikte strijdvormen is om de andere ouder te raken (en het kind van die ouder te verwijderen). De wet geeft aan ouders een positieve inspanningsplicht. Niet-naleving hiervan, zonder rechterlijk mandaat, dient altijd kritisch uitgevraagd te worden. Dit niet doen bevestigd die ouder slechts in (de effectiviteit van) het zelfbepalende gedrag/de eigenrichting dat het niet-naleven van deze plicht feitelijk is.

Grenzen aan de informatieplicht

In de rechtspraak zien we af en toe situaties waarin een ouder wordt ontheven van de informatieplicht. Dit zijn dan veelal zaken waarin tevens ernstig huiselijk geweld heeft gespeeld. Zie voor een voorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam waarin de rechter de informatieplicht van de moeder ambtshalve terzijde stelt en deze uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant. In deze uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland dient de vader zich voor informatie te richten tot hulpverlening. En in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden krijgt de moeder wel een kwalitatief hoogwaardige informatieregeling opgelegd, echter kan zij de betrokken hulpverlening betrekken om dit voor te bereiden, zodat zij dit slechts nog hoeft te accorderen. Een mildere variant waarin een ‘weinig betrokken vader’ geen informatieregeling op verzoek kreeg is deze uitspraak van Gerechtshof Den Bosch. Hierin stelde de vader dat de moeder de informatieregeling niet nakwam terwijl ze elke maand een map met informatie, foto’s en knutselwerkjes van het kind meegaf.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Zoek in de kennisbank