← Terug
/ Kennisbank /Vraag en antwoord

Vraag en antwoord Start

Vind 200+ antwoorden op vragen uit de familierechtpraktijk.

Kies een categorie of één van onze uitgelichte onderwerpen om te starten. Je kunt ook zoeken in de V&A-sectie.

Uitgelicht

Bijgewerkt: 20 januari 2026
Vechtscheidingen worden gekenmerkt door huiselijk geweld, soms fysiek, vaker psychisch, waarbij het geweld ook doorgaat nadat ouders uit elkaar zijn. Zo eenvoudig is het. Dit betekent dat een beroep op het Verdrag van Istanbul mogelijk is.

Op de V&A-pagina: Hoe herken ik niet-welwillend gedrag? zijn diverse verschijningsvormen van geweld beschreven die in de familierechtpraktijk worden gezien. Daaruit blijkt dat er vele vormen van geweld zijn, zowel rechtstreeks naar de ex-partner (m/v) als via het kind of derden. Er zijn natuurlijk ook situaties waarin dit geweld al aanwezig was gedurende de relatie.

Regelmatig zien we strafrechtelijke veroordelingen doorwerken in familierecht-beslissingen. Dit gebeurt dan niet expliciet, maar veelal als een omstandigheid op basis waarvan de rechter een bepaalde beslissing (niet) in het belang van het kind vindt.

We zien het Verdrag van Istanbul (hierna ook: het verdrag of het VVI) in de familierechtspraak voor het eerst verschijnen in deze uitspraak van Gerechtshof Amsterdam. Hierin beroept de moeder zich op het verdrag onder verwijzing naar (vermeend) geweld door de vader. Het blijkt echter een onterecht beroep. Volgens het hof onderbouwt de moeder namelijk onvoldoende dat zij daadwerkelijk slachtoffer is van huiselijk geweld.

Het is een duidelijk signaal voor de praktijk: niet elk beroep op het verdrag blijkt gerechtvaardigd en de rechter moet goed onderzoek doen of de argumenten steekhoudend zijn. Verder stelt het hof dat het verdrag slechts verplichtingen schept voor de staat en dat een direct beroep door een individu niet mogelijk is. Uit latere rechtspraak blijkt overigens dat dit directe beroep wél mogelijk is, net zoals bijvoorbeeld bij artikel 8 EVRM (het recht op familie- en privéleven).

Geen Verdrag, wel maatregelen bij geweld

Hoewel geweld in de familierechtpraktijk veelvuldig voorkomt, zien we het verdrag toch nog weinig tractie hebben. Hiervoor kunnen een aantal redenen zijn:

  • De Nederlandse wet biedt op zich de mogelijkheden voor familierechters om een gevolg te verbinden aan de aanwezigheid van (een geschiedenis van) huiselijk geweld, zoals via de ‘optimale-ontwikkel-plicht‘ en het klem-criterium. Zie voor een voorbeeld, deze uitspraak van Rechtbank Den Haag (moeder was pleger).
  • De wet geeft de rechter in diverse bepalingen (bijvoorbeeld bij omgang/informatie/consultatie) de ‘ambtshalve mogelijkheid’ om in het ‘zwaarwegende belang van het kind’ een andere beslissing te nemen. Bij erkenningen is in de wet bovendien expliciet voorzien in het meewegen van de ‘belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind’. Overigens blijkt uit deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem Leeuwarden dat een beroep op het VVI ook in erkenningszaken mogelijk is.
  • Er kan ogenschijnlijk binnen één gerechtshof discussie zijn of het verdrag kan worden toegepast bij bijvoorbeeld erkenningen of dat het slechts/vooral ziet op omgang en gezag. Vergelijk deze uitspraak en deze uitspraak, beiden van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In deze uitspraak van Rechtbank Noord-Holland vindt de Raad voor de Kinderbescherming overigens dat het verdrag wel van toepassing is op erkenningssituaties.
  • De rechtspraak worstelt mogelijk met het begrip ‘huiselijk geweld’ en wanneer daarvan precies volgens het verdrag sprake is. Is daarvan bijvoorbeeld alleen sprake als er een strafrechtelijke veroordeling is of ook al als de familierechter zelf vindt dat het gedrag van een ouder naar de andere ouder en/of het kind kwalificeert als geweld? O.i. is bezien vanuit het kind alles wat niet omvat het naleven van de wettelijke ouderlijke actieve inspanningsplichten een vorm van kindermishandeling en tevens ex-partnergeweld (lees over: ouderschapsnormen, informatieplicht en consultatieplicht). Het niet-naleven van die plichten vormt de wortel van alle vechtscheidingen.
  • Tot slot zien we in veel uitspraken dat de rechters de strijd (lees: het geweld) tússen de ouders plaatsen en als iets zien dat beiden toepassen, of waarin beide ouders een gelijk aandeel hebben. Soms is dat juist. In veel vechtscheidingssituaties echter is het één van beide ouders die zich bedient van ex-partner geweld (al dan niet via het kind) en o.i. een ‘niet-goed-genoeg’-ouder is. Lees in dit kader ook de opinie: Maak goed-interouderschap onderdeel van de veertien voorwaarden voor goed-genoeg-ouderschap!

Het Verdrag van Istanbul in de Nederlandse familierechtspraak

Sinds de inwerkingtreding van het verdrag in Nederland op 1 januari 2016, hebben diverse familierechters het verdrag wel toegepast bij hun beslissing. Het artikel waar dan een beroep wordt gedaan is artikel 31 VVI. Dit artikel stelt het volgende:

Artikel 31 VVI: Voogdij, omgangsregeling en veiligheid
1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
In deze beslissingen hebben we rechters tot nu toe – met uitzondering van één zaak – slechts geweld zien meewegen dat is/wordt gepleegd van mannen naar vrouwen en kinderen, terwijl het verdrag alle slachtoffers van huiselijk geweld (vrouw/man/kind) bescherming biedt. Het is duidelijk dat op dit vlak nog een stuk erkenning door de rechtspraak gegeven dient te worden aan de diversiteit van geweld bij vechtscheidingen.

Hierna worden enkele zaken uitgelicht. Wanneer het verdrag wel wordt toegepast, wordt daarbij ook beschreven welk geweld de rechter voor diens beslissing medebepalend heeft geacht. Ook worden enkele uitspraken uitgelicht waarin ten onrechte een beroep op het verdrag werd gedaan.

VVI toegepast

Een moeder start een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland om het gezamenlijke gezag over haar tweejarige dochter te beëindigen, zodat zij alleen het gezag krijgt. De vader is veroordeeld voor verkrachting, mishandeling en vrijheidsberoving van de moeder, deels in aanwezigheid van het kind, en zit in de gevangenis; er geldt een contactverbod.

De rechter vindt dat gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico oplevert dat het kind klem raakt, omdat overleg onmogelijk is en de moeder ernstig getraumatiseerd is. Met verwijzing naar het Verdrag van Istanbul besluit de rechter dat alleen de moeder nog het gezag heeft en wijst een aanvullend raadsonderzoek af.

Volledige uitspraak

Naschrift:
Opmerkelijk is het standpunt van de vader dat: “het Verdrag van Istanbul alleen van toepassing is bij structureel en gedocumenteerd huiselijk geweld.” en “Omdat hij zich daaraan niet schuldig heeft gemaakt, kan de moeder volgens hem geen geslaagd beroep doen op het Verdrag van Istanbul.” Het is een standpunt dat de rechtbank terecht naast zich neerlegt.
Een moeder start een procedure bij de rechtbank Noord-Holland met als doel om voortaan alleen het gezag over de drie kinderen te krijgen. De rechtbank stelt vast dat er ernstige en langdurige huiselijk geweldsituaties en intieme terreur door de vader zijn geweest, dat er een contactverbod geldt en dat moeder en kinderen op een geheim adres wonen.

Omdat overleg onmogelijk is, de vader al lang geen contact met de kinderen heeft en het risico groot is dat hij via gezagsbeslissingen het adres achterhaalt, wordt gezamenlijk gezag onveilig geacht. De rechtbank beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat de moeder alleen het gezag krijgt, met verwijzing naar het Kinderrechtenverdrag en het Verdrag van Istanbul, en merkt op dat nu nog geen ruimte is voor contactherstel.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De rechter benoemt duidelijk dat de vader zijn zorgplicht niet waarmaakt, omdat hij door geweld en intimidatie elk veilig contact met de moeder en het kind onmogelijk heeft gemaakt. De beslissing is sterk resultaatgericht: veiligheid eerst, geen gedeeld gezag als dat alleen op papier bestaat en in de praktijk risico’s schept. Tegelijk blijft het onduidelijk welke stappen nodig zijn voor eventueel toekomstig contactherstel en welke voorwaarden de vader daarvoor moet laten zien. Zou het kind meer geholpen zijn als de rechter expliciet had vastgelegd welke verandering van de vader nodig is voordat contact weer aan de orde kan zijn?

Een vader gaat in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling, de GI gaat ook in hoger beroep en de moeder stelt incidenteel hoger beroep in. De vader en de GI willen een 50/50-zorgregeling, de moeder wil juist begeleid contact (BOR II) vanwege ernstige zorgen over veiligheid bij de vader thuis.

Het hof vindt dat er serieuze en objectieve signalen zijn van onveiligheid (agressie, letsel, seksueel grensoverschrijdend gedrag door een stiefzus) die niet simpelweg als beïnvloeding door de moeder kunnen worden weggezet. Het hof beslist dat er voorlopig alleen begeleid contact mag zijn via een kort BOR II-traject, met een dwangsom als de moeder daar niet aan meewerkt, en laat de verdere beslissingen over hoofdverblijf en zorgregeling afhangen van de uitkomsten van dat traject en aanvullend veiligheidsonderzoek door de GI.

Volledige uitspraak

Naschrift:
De rechter benoemt duidelijk de plicht van de ouders om mee te werken, maar toetst de invulling en kwaliteit van hun opvoeding slechts indirect via de veiligheidsvragen. Tegelijk krijgt de GI een stevige opdracht om eindelijk echt, en niet alleen via eigen hypotheses, de veiligheid bij de vader te onderzoeken en een concreet veiligheidsplan te leveren.De beslissing is resultaatgericht doordat eerst begeleid en veilig contact wordt afgedwongen, maar de structurele afhechting (definitieve regeling) blijft vier maanden in de lucht hangen. De rechter legt de nadruk op feiten rond letsel en seksueel grensoverschrijdend gedrag en laat ouderlijke rechten tijdelijk wijken voor veiligheid. De moeder wordt veroordeeld tot een hoge dwangsom wat toont dat het hof een einde wil aan het zelfbepalende handelen door de moeder.

4 kinderen staan onder toezicht. Er is sprake van een dreigende situatie die door de vader wordt veroorzaakt, hetgeen de GI ertoe aanzet op opnieuw naar de rechter te gaan en te verzoeken dat de zorgverdeling wordt stopgezet en dat de vormgeving van de omgang tussen de kinderen en de vader bij de GI wordt belegd.

De kinderrechter gaat mee in het verzoek van de GI en past het Verdrag van Istanbul toe omdat er ernstige en door professionals als reëel beoordeelde meldingen zijn van (dreigend) huiselijk geweld door de vader richting moeder en kinderen.

Op grond van artikel 31 van dit verdrag moet bij beslissingen over gezag en omgang de veiligheid en rechten van het (mogelijke) slachtoffer van huiselijk geweld voorop staan, ook als dat botst met het recht op contact tussen ouder en kind (zoals beschermd in art. 8 EVRM en art. 9 IVRK). De rechter verwijst expliciet naar jurisprudentie (o.a. EHRM Kurt t. Oostenrijk en I.M. t. Italië) waaruit volgt dat de staat een positieve verplichting heeft om onmiddellijk en preventief op te treden bij een reëel risico op huiselijk geweld.

De rechter de veiligheid daarom zwaarder dan het omgangsrecht van de vader en wordt de zorg- en omgangsregeling voorlopig stopgezet, in afwachting van een dreigingsanalyse. De regie over een eventueel toekomstig en alleen veilig vorm te geven contactherstel wordt bij de GI gelegd.

Volledige uitspraak

Een moeder verzoekt eenhoofdig gezag en ontzegging van omgang tussen de vader en de 4 kinderen van ouders. Er is een voorgeschiedenis van ernstig huiselijk geweld, hetgeen door de vader niet weersproken is. De rechter wijst de verzoeken van de moeder toe onder verwijzing naar het Verdrag van Istanbul.

Volledige uitspraak

Onterecht (impliciet) beroep op VVI

Een vader start een procedure bij de rechtbank Rotterdam om een ruimere zorgregeling voor zijn kind te krijgen; de moeder vraagt in een tegenverzoek om eenhoofdig gezag. Daarvoor voert ze aan dat de vader zich schuldig zou maken aan intieme terreur. De rechter oordeelt dat hiervoor te weinig bewijs is en dat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem raakt tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag blijft in stand en het verzoek van de moeder om het gezag alleen te krijgen wordt afgewezen.

Volledige uitspraak

Een moeder komt in hoger beroep tegen een rechtbankuitspraak waarin een begeleide omgangsregeling is vastgesteld tussen haar kind en de vader. Ze stelt o.m. slachtoffer te zijn van intieme terreur en dwingende controle.

Het hof erkent dat de door de moeder gestelde jarenlange intieme terreur en dwingende controle zeer zorgelijk klinken, maar vindt deze in deze procedure onvoldoende met objectieve, verifieerbare stukken onderbouwd (zoals medische/hulpverleningsgegevens, telefoon-/socialmediagegevens).

Daardoor acht het hof niet aannemelijk gemaakt dat omgang met de vader ernstig nadeel voor het kind oplevert of dat de vader kennelijk ongeschikt is tot omgang. De gestelde intieme terreur kan daarom nu niet dienen als grond om het contact tussen vader en kind te ontzeggen.

Omdat de omgang bovendien plaatsvindt in een begeleide en daarmee veilige setting bij het omgangshuis, ziet het hof geen reden om de voorlopige omgangsregeling te blokkeren of eerst een raadsonderzoek te laten doen.

Volledige uitspraak

Een moeder ontvoert haar kind van 2 jaar van Polen naar Nederland. De vader doet een teruggeleidingsverzoek. De moeder verweert zich onder meer met het standpunt dat er sprake is geweest van Intieme Terreur. Dit baseert zij op basis van een door Moviera eenzijdig afgenomen MASIC-NL onderzoek. Vader ontkent echter dat er sprake is van intieme terreur en neemt niet deel aan het MASIC-onderzoek.

Het hof concludeert dat het door moeder gestelde onvoldoende is komen vast te staan en dat moeder geen beroep kan doen op het Verdrag van Istanbul.

Volledige uitspraak

Een moeder verzoekt o.m. eenhoofdig gezag en tevens een een beperkte omgangsregeling tussen haar kind en de vader. Daarbij beroept ze zich mede op het Verdrag van Istanbul omdat volgens de moeder ‘de man voortdurend de strijd met haar blijft zoeken’ en dat het gedrag van de man (psychisch) gewelddadig zou zijn (geweest tijdens de relatie).
De rechtbank overweegt in navolging van de visie van de raad en de GI op de mondelinge behandeling, dat hetgeen de vrouw aanvoert ziet op de relatie tussen partijen als (ex-)partners en niet op de relatie tussen [minderjarige] en haar vader. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, anders dan zij zelf stelt, geen bewijs heeft aangedragen voor de genoemde gedragingen van de man. Daarbij komt dat, indien al sprake zou zijn geweest van psychisch geweld, de duur niet dusdanig zwaar is dat sprake is van situatie als bedoeld in de criteria van het Verdrag van Istanbul. Immers uit het relaas van de vrouw volgt dat het door haar omschreven psychische geweld heeft plaatsgevonden in een periode van anderhalf jaar, namelijk de periode vanaf de zwangerschap tot het feitelijke uiteengaan van partijen. Over de relatie voorafgaand aan de zwangerschap heeft de vrouw aangegeven dat sprake was een goede relatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende geconcretiseerd waarom sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] bij de man. Uit wat de vrouw naar voren heeft gebracht blijkt dat partijen op een aantal punten verschillend denken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Echter, uit de verslagen van de hulpverlening en het raadsrapport komt geen beeld naar voren van een vader die niet voor zijn kind zou kunnen zorgen.

Volledige uitspraak

Een moeder komt in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank waarin aan de vader eveneens het ouderlijk gezag is toegekend. Daarbij beroept ze zich o.m. op het gewelddadige verleden van de vader.

Gerechtshof Den Bosch overweegt o.m. het volgende:

Door de vrouw zijn, waar zij een beroep doet op het Verdrag van Istanbul, geen feiten en omstandigheden gesteld met betrekking tot het door de vrouw gestelde gewelddadige verleden van de man dat niet van haar gevergd kan worden om samen met de man het gezag over de kinderen in te vullen.

Volledige uitspraak

Een divers geweldsspectrum

Uit de gepubliceerde uitspraken volgt dat het geweldsspectrum – waarbij een beroep op het Verdrag van Istanbul succesvol is gedaan – heel divers is.

Aan de ene kant staan zaken waarbij er zeer ernstig en ook aanhoudend geweld heeft plaatsgevonden en/of nog plaatsvindt, inclusief strafrechtelijke veroordelingen van de pleger. Ook aan die kant zien we uitspraken waarin de rechter vindt dat er ook sprake is van een ongelijkwaardige relatie en dwingende controle, zoals in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden of bijvoorbeeld stalkingsgedrag zoals beschreven in deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam. Mannen waren in alle bestudeerde zaken de plegers.

Aan de andere kant staan ‘lichtere’ gedragingen die we veel vaker zien in vechtscheidingen, zoals in deze uitspraak van Rechtbank Gelderland. In de praktijk zien we die gedragingen bij zowel mannen als vrouwen (waarbij dus ook mannen en kinderen de slachtoffers zijn).

Hieruit volgt de conclusie: Als je te maken hebt met geweld zoals beschreven op de V&A-pagina: Hoe herken ik niet-welwillend gedrag? doe dan een beroep op het Verdrag van Istanbul, ongeacht of je als slachtoffer vrouw, man of kind bent. Het is natuurlijk van belang om de vorm, de ernst en duur van dit geweld aan te tonen. Het is vervolgens aan de rechter of die het verdrag daadwerkelijk bij de beoordeling betrekt.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit

Bijgewerkt: 6 januari 2026
In de praktijk zien we soms zelfbepalende ouders die tóch verhuizen, ondanks een verhuisverbod of een afwijzende beslissing op een verzoek voor vervangende toestemming om te mogen verhuizen.

Rechtelijke beslissingen dienen te worden nagekomen. Sommige ouders vinden echter dat dit niet voor hen geldt of dat zij net die ene uitzondering zijn. Dat is meestal niet zo. Het gevolg veelal, spanningen waarvan het kind de dupe is en juridisch touwtrek, zoals in deze uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland.

Hierin was de moeder ondanks dat zij geen vervangende toestemming op haar verzoek had gekregen tóch verhuisd. Dit voerde ze vervolgens aan als reden dat ze de zorgregeling niet meer hoefde na te komen, althans dat deze samengevat niet meer in het belang van de kinderen van 5 en 2 jaar zou zijn. De vader startte een kort geding. De voorzieningenrechter overwoog o.a. het volgende:

(…) de moeder gehouden is om de zorgregeling die zij met de vader heeft afgesproken, na te komen. (…) Dat betekent dat de moeder op de in de zorgregeling bepaalde tijdstippen de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] draagt. Die zorg zal in of in de buurt van [plaats 1] moeten plaatsvinden, want daar gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar school en naar de opvang, en op grond van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland mogen zij niet naar [woonplaats 2] verhuizen. (…) Ten overvloede: de voorzieningenrechter realiseert zich terdege dat deze toewijzing voor de moeder lastige problemen met zich brengt. De moeder zal ervoor moeten zorgen dat zij een tijdelijk onderkomen in of in de buurt van [plaats 1] regelt om aan de zorgregeling en tegelijkertijd aan de beschikking van de rechtbank Noord-Holland te voldoen. Dat is niet makkelijk, maar van de moeder mag worden verwacht dat zij haar verantwoordelijkheid neemt en alles op alles zet om de afspraken na te komen en deze door haar keuzes ontstane situatie gaat oplossen.(…)

I.c. de moeder is dus verplicht een woonruimte te zoeken in de woonplaats van de kinderen. Ook werd aan moeder een dwangsom opgelegd om nakoming van de zorgregeling te prikkelen.

Deze uitspraak is echter helaas geenszins standaard. We zien veel ambivalentie in de rechtspraak hoe om te gaan met zelfbepalend gedrag. Er zijn gelukkig lichtpuntjes, zoals deze uitspraak. Er is echter ook van alles op te merken over deze uitspraak, zoals dat de moeder zelfbepalend is en tóch de proceskosten van de vader niet hoeft te betalen. Ook heeft de situatie ertoe geleid dat de zorgregeling enige tijd niet onverkort is nagekomen. De gemiste tijd wordt niet gecompenseerd, hetgeen onbegrijpelijk is.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Is er gezamenlijk gezag, dan kan één ouder niet alleen beslissen over zogenaamde ‘gezagsbeslissingen’. Er is een actieve toestemming van de andere ouder nodig, meestal in de vorm van een handtekening.

Geen toestemming? Dan berusten of naar de rechter.

Wil jij dat jullie als ouders samen een bepaalde beslissing nemen en wordt de toestemming niet gegeven, dan kan de ouder die wil naar de rechter om daarvoor ’toestemming van de rechter te krijgen die de toestemming van de andere ouder vervangt’. Dit heet ook wel een ‘verzoek tot vervangende toestemming’. Dit geldt in beginsel voor alle gezagsbeslissingen. In de kennisbank zijn diverse sub-thema’s uitgewerkt voor specifieke situaties die veel voorkomen zoals; verhuizing, vakantie buitenland, schoolkeuze, hoofdverblijfplaats en vaccinatie. Daarin kun je ook lezen dat de rechter zo een verzoek niet altijd toewijst.

Toestemming-vooraf-plicht in de praktijk veel geschonden

De toestemming-vooraf-plicht wordt in de praktijk veel geschonden. Dit geldt ook voor de plicht die hieruit voortvloeit om de andere ouder te consulteren voorafgaand aan het nemen van de beslissing.

Het meest voorkomend zijn hoofdverblijfouders die gezagsbeslissingen over het minderjarige kind zelfstandig nemen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over het verhuizen van het hoofdverblijf van het kind met die ouder, evenals in- en overschrijvingen, beëindigen van: opvang/school, huisarts, sportvereniging en zelfs medische behandelingen.

Zijn er professionals betrokken, dan wordt veelal op voorhand aangenomen dat wanneer er met de andere ouder geen contact is, dat één ouder zelfstandig mag handelen. Onbewust worden deze partijen deelgenoot gemaakt aan het creëren van voldongen feiten. Het standpunt van de zelfbepalend handelende ouder veelal: ‘mijn beslissing was in het belang van het kind’ of ‘het kind is nu eenmaal gewend aan de nieuwe situatie, dus het is beter het zo te laten’.

Ambivalente rechtspraak ondermijnt kracht toestemming-vooraf-plicht

Als je het als gezaghebbende ouder niet eens bent met het voldongen feit, dan word je veelal in positie gedrongen van: (i) berusten, (ii) een achterhoedegevecht starten tegen de betrokken professional (iii) een stap naar Veilig Thuis of (iv) een stap naar de rechter.

De rechtspraak is echter in het geheel niet consistent in het handhaven van de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht. Twee voorbeelden zijn te lezen op deze pagina: Zonder toestemming verhuizen, kan dat? We zien dit soort uitspraken vaker (en slechts enkelen worden gepubliceerd). Het kan echter ook anders, zoals in deze uitspraak waarin Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden korte metten maakt met het zelfbepalende gedrag van de verhuizende ouder. Na eerder van de rechtbank alsnog – na het feit – vervangende toestemming te hebben verkregen, moest deze ouder van het hof toch nog terugverhuizen.

Naleving (vervangende) toestemming-vooraf-plicht in het belang van het kind

Het wél naleven van de toestemming-vooraf-plicht is altijd hetgeen een gezaghebbende ouder behoort te doen. Het niet-naleven is namelijk een vorm van ex-partnerstrijd en daarmee eveneens een vorm van kindermishandeling. Het houdt de situatie rondom het kind onrustig en sleurt het kind (soms letterlijk) heen en weer tussen de standpunten van ouders. Dit is in strijd met de optimale-ontwikkel-plicht van ouders.

Naleving ook verplicht bij een noodtoestand?

In situaties waarin er sprake is van een acute objectiveerbare noodtoestand waarbij het belang van het kind direct handelen eist (denk aan acute medische behandelingen) dan kan (en moet) je als gezaghebbende ouder handelen. Bereik je de andere ouder niet, zorg dan dat je die ouder in iedere geval informeert (via Voicemail, WhatsApp, SMS). Móet je de beslissing nemen, neem de beslissing.

De praktijk wijst uit dat bij een noodtoestand handelen een ouder zelden/nooit wordt aangerekend. Wat er mogelijk wel gebeurt is of er daadwerkelijk sprake was van een noodtoestand en of die zo urgent was dat (vervangende) toestemming redelijkerwijs niet behoefde te worden afgewacht. Slaagt het beroep op de aanwezigheid van een noodtoestand of de urgentie niet, dan kun je ervan uitgaan dat de rechter daaraan t.z.t. een consequentie hangt die de rechter goeddunkt.

Heb je te maken met een zelfbepalend handelende ouder?

Met vechtscheidingshulp.nl pleiten we voor een rechtspraak met meer gezag. We zijn van mening dat de rechtspraak wél consistent de ouderlijke plichten moet handhaven. Zie daarvoor ook de opinie: De familierechtspraak moet meer gezag krijgen en de opinie: Maak goed-interouderschap onderdeel van de veertien voorwaarden voor goed-genoeg-ouderschap! Hoewel er lichtpuntjes zijn in de rechtspraak zijn veel rechters nog huiverig om deze duidelijke koers te varen (onnodig o.i.). Wil je hulp? Neem contact op.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Gezaghebbende ouders hebben de plicht om voor hun kind ‘optimale opgroeicondities’ te bewerkstelligen en zich actief daarvoor in te spannen. Deze ouderschapsnorm staat beschreven in artikel 1:247 lid 2 BW en is op vele fronten een fundamentele plicht van ouders; zowel naar hun kind als naar de andere ouder. Deze plicht is via artikel 1:248 BW ook van toepassing op ouders zonder gezag en andere verzorgenden.

In de wet staat het volgende:

Artikel 1:247 lid 2 BW:
Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat ouders de plicht hebben om:

  1. Zorg te dragen voor ‘goed-genoeg opvoederschap‘, wat bijvoorbeeld omvat basale verzorging bieden, sensitief en responsief op het kind reageren.
  2. Zorg te dragen voor ‘goed-genoeg inter-ouderschap’, wat bijvoorbeeld omvat zaken die op ouderniveau tot conflicten leiden, buiten het kind te houden en actief eigenaarschap te nemen voor het staken van eventuele inter-ouderstrijd. Strijd op inter-ouderniveau (lees voorbeelden van passief of actief strijdgedrag), doet namelijk afbreuk aan de (psychische/emotionele) veiligheid van het kind en wordt door zowel de rechtspraak als de Raad voor de Kinderbescherming gekwalificeerd als een vorm van kindermishandeling. Een kind hiervan vrij houden is een verantwoordelijkheid die ouders zich moeten toe-eigenen als ware het een resultaatsverplichting. Ouders dienen derhalve tastbare positieve resultaten te bereiken. Ook inter-ouderstrijd die zich buiten het kind afspeelt moet worden gestopt, omdat het ertoe kan leiden dat de psychische belasting die dit ouders oplevert indirect het kind raakt (bijv. doordat ouders minder beschikbaar zijn). Rechtbank Den Haag verwoordt het in deze uitspraak als volgt: “(…) een goede ouderschapsrelatie met de vader te onderhouden (…) is immers wat van de moeder moet worden gevergd.” Rechtbank Gelderland in deze uitspraak noemt het gedrag van de moeder ‘ondermijnend voor het op een constructieve manier vormgeven van het gezamenlijk ouderschap’. In een situatie met huiselijk geweld verwees Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in deze uitspraak naar het Verdrag van Istanbul. In deze uitspraak stelt Gerechtshof Den Bosch dat de ouders gezien hun ouderlijke verantwoordelijkheden het aan hun kind verplicht zijn om er alles aan te doen zodat de strijd stopt.
  3. Rekening te houden met de toenemende mondigheid van het kind om zichzelf naar eigen inzicht te ontwikkelen.

De optimale-ontwikkel-plicht omvat door de ruime formulering o.i. ook andere zeer belangrijke actieve inspanningsplichten, zoals de band-bevorder-plicht, evenals de verzorg- en opvoedplicht, de informatieplicht, de consultatieplicht en de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht.  Anders gezegd, het niet-invullen van deze specifiekere plichten doet afbreuk aan de optimale-ontwikkel-plicht.

In de praktijk zien we het niet-naleven van de hiervoor genoemde specifieke plichten ook leiden tot de conclusie dat een kind in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd, omdat daarmee niet wordt voldaan aan de optimale-ontwikkel-plicht.

Wanneer niet wordt voldaan aan de optimale-ontwikkel-plicht van artikel 1:247 lid 2 BW, dan kan dit aanleiding geven het kind onder toezicht te stellen en voor het kind en de ouders hulp te organiseren. Lukt het een ouder (of de ouders gezamenlijk) niet meer om aan deze actieve ouderlijke inspanningsplicht te voldoen, dan kan dit ertoe leiden dat het kind uit huis wordt geplaatst en/of dat (op termijn) de omgang stopt en/of het ouderlijk gezag (van die ouder) wordt beëindigd.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Gezagsbeslissingen zijn beslissingen die door ouders of voogden worden genomen over belangrijke aspecten in het leven van een kind. Deze beslissingen vallen onder het ouderlijk gezag. Ze gaan bijvoorbeeld over de zorgverdeling, opvoeding, ontwikkeling, verzorging en het welzijn van een kind. In Nederland hebben ouders die het ouderlijk gezag delen de plicht om beslissingen over dergelijke kwesties gezamenlijk voor te bereiden en te nemen. Komen ouders er niet uit, dan kan de rechter een beslissing nemen die in het belang van het kind is.

Let op! De ‘zelfbepalingspresumptie van parallel ouderschap‘ geldt niet voor gezagsbeslissingen.

Gezagsbeslissingen, een niet-uitputtend overzicht

  1. Erkenning van het kind: Besluit of een andere ouder het kind formeel erkent. Bezoek thema erkenning.
  2. Ouderlijk gezag: Het instemmen met gedeeld gezag met een ander. Bezoek thema van eenhoofdig naar gezamenlijk gezag.
  3. Zorgverdeling: Hoe de zorg voor het kind tussen de ouders en/of derden (bijvoorbeeld opvang, grootouders) wordt verdeeld. Zie themapagina’s omgang opstarten, omgang hervatten, omgang wijzigen.
  4. Schoolkeuze: de beslissing welke school het kind zal bezoeken, alsmede het type onderwijs: kiezen voor regulier, speciaal of particulier onderwijs en/of met een bepaalde religieuze stroming. Bezoek themapagina schoolkeuze.
  5. Schoolreisjes of kampen: Toestemming voor deelname aan meerdaagse activiteiten of reizen met school.
  6. Religieuze opvoeding: beslissen of en welke religie het kind zal volgen.
  7. Medische behandelingen: toestemming geven voor operaties of andere ingrijpende behandelingen, alsmede vaccinaties: beslissen of/met welke vaccins/wanneer het kind gevaccineerd wordt. Bezoek themapagina vaccinaties. Tandheelkundige zorg: het wel of niet geven van toestemming voor orthodontie (bijvoorbeeld een beugel). Therapeutische zorg: besluiten over psychologische of psychiatrische behandelingen en/of diagnostiek, zoals intelligentie, persoonlijkheid. Huisartskeuze: Kiezen bij welke huisarts, tandarts of specialist het kind onder behandeling komt. Gebruik van alternatieve geneeswijzen: toestemming geven voor het gebruik van niet-reguliere medische behandelingen zoals homeopathie of natuurgeneeskunde.
  8. Hoofdverblijf van het kind: Besluit waar het kind het hoofdverblijf heeft. Bezoek thema hoofdverblijfplaats.
  9. Verhuizing: de beslissing om naar een andere stad of regio te verhuizen. Bezoek themapagina verhuizing.
  10. Verblijf in het buitenland: Een reis maken met het kind naar het buitenland. Bezoek themapagina vakantie buitenland
  11. Aanmelding sportclub: Toestemming geven voor lidmaatschap van een sportvereniging of andere activiteiten. Lees V&A: Is aanmelding bij een sportvereniging een gezagsbeslissing? Recreatieve keuzes: Toestemming voor deelname aan bepaalde activiteiten, zoals gamen of gebruik van technologie. Inschrijving voor buitenschoolse activiteiten: beslissen over deelname aan kunstlessen, muziekles, dansles of andere creatieve activiteiten.
  12. Toestemming voor paspoort: Het aanvragen van een paspoort of identiteitskaart voor het kind.
  13. Naamswijziging: Het wijzigen van de voor en/of achternaam van het kind. Het omzetten van de achternaam naar een dubbele achternaam van zowel de moeder als van de vader (zie deze uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant/betwist door deze uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland ).
  14. Leefstijlkeuzes: Keuzes over dieet, zoals vegetarisme of veganisme.
  15. Beslissingen over kledingstijl: Bepalen welke kleding passend is voor het kind, vooral in bepaalde religieuze of culturele contexten.
  16. Toestemming voor social media: beslissen of een kind social media mag gebruiken en onder welke voorwaarden.
  17. Gebruik van mobiele telefoon: Bepalen wanneer een kind een mobiele telefoon krijgt en hoe het gebruik ervan wordt gereguleerd. Hetzelfde geldt voor het aan het kind meegeven van een smartwatch (al dan niet met GPS) of een tracker. Lees ook: V&A: Kan ik mijn kind een smartwatch meegeven naar mijn ex?
  18. Wettelijke vertegenwoordiging: Optreden als vertegenwoordiger in juridische zaken, bijvoorbeeld bij een geschil of rechtszaak namens het kind.
  19. Toestemming voor piercings of tatoeages: Beslissen of een kind een piercing of tatoeage mag laten zetten.
  20. Levensonderhoud of alimentatie: Keuzes over de verdeling van kosten voor opvoeding, zoals schoolgeld en levensonderhoud.
  21. Zorgverzekering: Kiezen bij welke zorgverzekeraar het kind is verzekerd en welke aanvullende verzekeringen afgesloten worden.
  22. Beheer van financiën: Besluiten hoe geld of erfenis van het kind wordt beheerd, bijvoorbeeld door een spaarrekening aan te maken of beheren.
  23. Vertegenwoordiging van privacyrechten van het kind: Bijv. een verzoek aan veilig thuis om een dossier te vernietigen (zie: deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam).
  24. Het online op sociale media plaatsen van foto’s/filmpjes van het kind op een wijze dat dit de privékring (familie/bekenden) van de betreffende ouder overstijgt.

Eenhoofdig gezag?

Ook al heb je eenhoofdig gezag dan betekent dit niet dat je alles rondom je kind zelf kunt bepalen. Hoewel je uiteindelijk wel zelf de beslissing kunt nemen, heb je voorafgaand aan het nemen daarvan een informatieplicht en een consultatieplicht naar de andere ouder. Ook dien je rekening te houden in hoeverre je beslissing inbreuk maakt op een vastgestelde omgang, de inter-ouderschapsrelatie en je plicht om de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Ja, de andere ouder moet je raadplegen/consulteren over een voorgenomen beslissing over jullie kind, die meer is dan een dagelijkse basale zorg- en/of opvoedbeslissing. Dit geldt ook voor die beslissingen die impact hebben op jouw (privé)leven met je kind en bij gezagsbeslissingen waarbij tevens de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht geldt.

De consultatieplicht van gezaghebbende ouders staat naast de informatieplicht beschreven in het eerste lid van artikel 1:377b BW: “en deze te raadplegen”.

Artikel 1:377b lid 1 BW:
1. De ouder die met het gezag is belast, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2. Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.
De rechter van Rechtbank Rotterdam formuleert in deze uitspraak klip en klaar wat (niet) onder de consultatieplicht valt:

Ze (moeder: red) is naar België verhuisd en heeft zo [voornaam minderjarige] en de man voor voldongen feiten gesteld. De rechtbank is het oneens met de stelling van de vrouw dat de man niet bereid was tot overleg. Naar het oordeel van de rechtbank was het juist de vrouw die niet wilde overleggen. Bij overleg gaat het er namelijk niet om een beslissing – waarvoor de ander toestemming moet geven – mee te delen en te proberen over de randvoorwaarden te overleggen. Bij overleg gaat het erom een voorgenomen beslissing te bespreken en serieus met de opmerkingen van de ander om te gaan, in plaats van deze bij voorbaat in de wind te slaan met de stelling dat de verhuizing hoe dan ook doorgaat. Het handelen van de vrouw is het schoolvoorbeeld van hoe een verhuizing als deze, niet moet worden aangepakt.

Een uitspraak als dit is echter een uitzondering en o.i. mede als gevolg van het gebrek aan consistente toetsing en handhaving door de rechtspraak zien we de consultatieplicht in de praktijk veelvuldig geschonden worden. Dit is in het bijzonder opmerkelijk omdat het niet-naleven van deze plicht in conflictscheidingen één van de meest voorkomende vormen van ex-partnergeweld en dwingende controle is.

Het niet-naleven van de consultatieplicht betekent dat deze ouder zich zelfbepalend opstelt, voldongen feiten creëert en geen overleg initieert over zaken die deze ouder feitelijk – over het hoofd van het kind – doordrukt. Daarmee blijft het kind in een instabiele inter-oudersituatie, hetgeen ook een vorm van kindermishandeling is, ongeacht of dat de beslissing nu wel of niet uiteindelijk in het belang van het kind is.

Een plicht die geldt totdat deze buiten toepassing wordt verklaard

De consultatieplicht geldt tot het moment dat een rechter een ouder ontslaat van deze plicht. Bij de totstandkoming van dit artikel in 1995 is over de consultatieplicht namelijk het volgende in het Memorie van Antwoord opgemerkt:

De leden van de fractie van D66 merken terecht op dat het consultatierecht nieuw is. Het is een mooi voorbeeld van «de boodschap van dit wetsvoorstel», zoals deze leden dat noemden, namelijk dat ouders verantwoordelijk zijn en blijven voor het welzijn van hun kinderen. Ook ik erken daarbij dat niet alle strijd tussen ouders na een scheiding verleden tijd zal zijn. In die gevallen dat geen omgang mogelijk blijkt te zijn, is (afgezien van bij voorbeeld gevallen waarin de ouder die niet het gezag heeft zich onvindbaar houdt) vaak de relatie tussen de ouders ernstig verstoord en moet er van het raadplegen van de ene ouder door de andere ouder niet veel verwacht worden. Ik kan mij dan ook voorstellen dat de rechter in geval van afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zo nodig ambtshalve bepaalt dat het raadplegen van de andere ouder buiten toepassing wordt gelaten.

Ik merk hierbij op dat de plicht tot raadpleging geldt, zolang deze niet krachtens rechterlijke beslissing (onderstreping o.z.: red) buiten toepassing wordt gelaten. (…)

Een dringende opgave voor de rechtspraak

Ondanks de duidelijke woorden in de wetsgeschiedenis is deze wettelijke plicht van ouders in de rechtspraktijk echter nauwelijks verder ontwikkeld. Tijdens de parlementaire geschiedenis is het geframed als ‘moeilijk’ echter o.i. heeft de rechtspraak hier juist een belangrijke taak te verrichten. De wet geeft rechters tenslotte een maatstaf om niet-welwillende ouders te prikkelen om de (passieve) ex-partnerstrijd – door de andere ouder niet te betrekken en steeds opnieuw voor voldongen feiten te plaatsen – te begrenzen.

Overigens zijn er in de rechtspraak wel degelijk voorbeelden waarin de naleving van de consultatieplicht wordt getoetst. Het wordt echter zelden tot nooit gekoppeld aan artikel 1:377b lid 1 BW en worden in die uitspraken door de rechter veelal woorden gebruikt als ‘zelfbepalend’ en ‘eigenrichting’ om het gedrag van die ouder te beschrijven. Het is vanaf dit punt o.i. slechts een kleine stap voor de rechtspraak om dit te gaan koppelen aan het betreffende wetsartikel en het is eigenlijk onbegrijpelijk dat dit niet gebeurt.

Zit je in een situatie waarin deze plicht (en de informatieplicht) wordt geschonden, verzoek de rechter dan om hier expliciet een woord aan te wijden en om (ook) een consultatieregeling op te nemen.

Beëindiging indien het belang van het kind dit vereist

De consultatieplicht, evenals de informatieplicht, kan worden beëindigd als het belang van het kind dat vereist, aldus het tweede lid van artikel 1:377b BW. Zeer ernstige bezwaren van het kind zijn op zich niet beslissend (HR 5 april 1991, NJ 1992, 24). Het gaat bij een beslissing hierover om conflicterende rechten van kind en ouder voortvloeiend uit art. 8 EVRM (privéleven en familie- en gezinsleven), aldus Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in deze uitspraak. Hieraan wordt overigens nog toegevoegd dat o.i. vooral de plicht van ouder met het gezag centraal dient te staan, die het resultaat is van de genoemde rechten. In zoverre is er ook een koppeling met de ouderschapsnormen.

Ook verplicht bij gezamenlijk gezag

In de praktijk dien we de consultatieplicht (rechtsingang voor regelingen artikel 1:253 a lid 2 sub c BW) ook in situaties van gezamenlijk veelvuldig geschonden worden. Het spreekt voor zich dat de plicht om te consulteren in het bijzonder geldt voor ouders die het gezag met een ander delen (want gezamenlijk gezag is feitelijk 2 maal 50% gezag). Ook hiervoor geldt echter dat de rechtspraak de wijze waarop deze ouder deze actieve inspanningsplicht invult onvoldoende en in veel gevallen te laat toetst. Er worden gemiddeld genomen bovendien onvoldoende consequenties verbonden aan het niet-nakomen van deze plicht. Tenzij uiteraard je een rechter treft zoals die van Rechtbank Rotterdam hierboven.

NB: Lees je dit als hulpverlener, realiseer je dan dat eenzijdig gezagsbeslissingen doordrukken één van de meest gebruikte strijdvormen is om de andere ouder te raken (en de betrokkenheid van die ouder in het leven van het kind te minimaliseren). De wet geeft aan ouders een positieve inspanningsplicht. Niet-naleving hiervan, zonder rechterlijk mandaat, dient altijd kritisch uitgevraagd te worden. Dit niet doen bevestigt die ouder slechts in (de effectiviteit van) het zelfbepalende gedrag/de eigenrichting dat het niet-naleven van deze plicht feitelijk is.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 14 januari 2026
In de praktijk blijkt het ouderschapsplan weinig zekerheid te geven, omdat de rechter altijd in het belang van het kind een belangenafweging kan maken en een ‘straffeloos’ kan afwijken van de tussen ouders gemaakte afspraken.

(Te) Weinig handhaving door de rechtspraak van individuele bepalingen

In beginsel kun je ervan uitgaan dat afspraken over de zorgverdeling voor de rechtspraak in beginsel wel ‘hard’ zijn. Dit geldt echter in veel mindere mate voor de bepalingen die ouderlijk of inter-oudergedrag beschrijven. Deze bepalingen – die cruciaal zijn in situaties die vechtscheidingen worden genoemd – worden door de rechtspraak geregeld niet, te zwak of veel te laat gehandhaafd, terwijl die gedragsnormen direct wortelen in wettelijke bepalingen die weer wortelen in bijvoorbeeld het IVRK en het EVRM.

Bepalingen in ouderschapsplannen in de praktijk vooral richtinggevend voor de rechter

De afspraken in het ouderschapsplan zijn vooral richtinggevend voor rechters bij hun beoordeling of iets in het belang van het kind is. Dit betekent dat het ouderschapsplan weinig zekerheid geeft.

Een eenvoudig voorbeeld: Stel ouders komen overeen niet verder dan 10 km van woonplaats x te gaan wonen. De hoofdverblijfouder wil wel verder verhuizen (stel 30 km). Dan zien we enerzijds zaken waarin dit argument door de rechter wordt gebruikt om verhuizing tegen te houden, terwijl we anderzijds zaken zien waarin aan deze afspraak geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.

Een voorbeeld van een zaak waarin een afspraak in een ouderschapsplan wel ‘hard’ bleek is deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ouders waren overeengekomen naar een co-ouderschap toe te gaan werken. De moeder kwam pas heel laat tot het inzicht het niet meer te willen. Er waren door de vader al zeer veel voorbereidingshandelingen verricht en ook was het aan het kind verteld. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de rechter was van mening dat het plan moest worden doorgezet.

Natuurlijk zou je kunnen stellen; afspraak is afspraak, dus de rechter moet gewoon handhaven. We zijn het hier in principe mee eens (uitgezonderd situaties waarin er een noodtoestand is/zou ontstaan). Er zijn echter ook rechters die gewoon ‘de houdbaarheid in de tijd’ van het ouderschapsplan in twijfel trekken (lees: omstandigheden kunnen wijzigen). Daarnaast staat in veel ouderschapsplannen dat het ouderschapsplan jaarlijks wordt geëvalueerd (hetgeen veelal niet gebeurt), wat impliceert dat ouders voorzien dat de afspraken in de tijd eventueel moeten worden aangepast. Ook kan ‘redelijkheid en billijkheid’ de rechter nog een escape bieden.

Uitzonderingen die de regel bevestigen

Een uitzondering op het bovenstaande vormt bijvoorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland. Hierin was periodiek mondeling overleg over de kinderen afgesproken tussen de ouders. De rechter vond dat de moeder zich daaraan niet eenzijdig kon onttrekken en eenzijdig kon bepalen dat overleg slechts nog per email kon plaatsvinden.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Oudervervreemding is het samenstel van (in)acties van een niet-welwillende of niet-welkunnende ouder (vervreemder) dat als doel of aanvaard resultaat heeft dat het kind de andere ouder verstoot. Oudervervreemding door de ouder – indien succesvol – leidt dus tot ouderverstoting door het kind. Het begrip oudervervreemding is afgeleid van het Engelse Parental Alienating Behaviour (PAB). 

Vervreemdingsgedrag is vanuit het perspectief van het kind niet altijd negatief gedrag. Naast één of meerdere vormen van niet-welwillend gedrag kan het zich bijvoorbeeld ook uiten in de vorm van (overdreven) positief gedrag richting het kind. Het beoogde effect hiervan veelal is dat de loyaliteit van het kind wordt verkregen door de vervreemder (in het Engels de Alienating Parent) op een wijze waarop dit ten koste gaat van de band die het kind heeft/ontwikkelt met de andere ouder (in het Engels de Targeted Parent). Ook kan het kind de indruk krijgen dat de andere ouder niet voldoet of niet ‘goed-genoeg’ is. Het Expertteam Ouderverstoting noemt oudervervreemding in haar advies: “loyaliteitsbeïnvloedend gedrag” echter het gaat feitelijk meer om “gehechtheidsbeïnvloedend gedrag”.

Oudervervreemdend gedrag is zeer schadelijk voor het kind en bijvoorbeeld al in 2007 door Rechtbank Maastricht gekwalificeerd als een vorm van kindermishandeling. Daarnaast is oudervervreemding in 2019 door Rechtbank Limburg gekwalificeerd als geestelijk geweld en in 2023 door Rechtbank Midden-Nederland als kindermishandeling in de vorm van emotionele verwaarlozing en psychisch geweld.

Nu houdt waarschijnlijk iedere ouder zich bezig met een vorm van loyaliteits-/gehechtheidsbeïnvloeding, zelfs in normaal functionerende ‘goed genoeg’ gezinnen. Loyaliteits-/gehechtheidsbeïnvloeding wordt oudervervreemding wanneer de beïnvloeding ten koste gaat van de band van het kind met de andere ouder. Oudervervreemdend gedrag wordt door beide sexen toegepast. Zowel de band van het kind met de vader als met de moeder kan slachtoffer zijn van dit gedrag.

Vervreemdingsgedrag is bijvoorbeeld te herkennen doordat een afglijdend of negatief ouderbeeld bij het kind niet aantoonbaar wordt gecorrigeerd/ondersteund door de vervreemder. Noch koppelt de vervreemder hier (in voldoende mate) acties aan die tot doel hebben om dit ouderbeeld te herstellen. Op de vraag hoe zo een ouder dan wél de banden tussen het kind en de andere ouder zou hebben bevorderd en waaruit dit blijkt, komt veelal geen concreet antwoord, terwijl dit een onvoorwaardelijke wettelijke actieve inspanningsplicht van die ouder is, waaraan deze zich niet kan onttrekken. In plaats daarvan volgen veelal pogingen de discussie af te leiden naar bijv. ‘wat het kind aangeeft’.

Anders gezegd kan oudervervreemdend gedrag dus bestaan uit iets doen en uit iets niet-doen, zoals het niet-nemen van dit deel van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Hier gaat het het meest mis in het systeem. Het niet-actief invullen van de plicht om de banden tussen het kind en andere ouder te bevorderen is o.i. dé belangrijkste indicator dat deze ouder zich onttrekt aan deze cruciale ouderlijke plicht en ouderverstoting als ultimo uitkomst aanvaard. Toch wordt deze actieve inspanningsplicht nauwelijks getoetst. Sterker, zelfs in situaties waarin voor de rechter in voldoende mate vaststaat dat de ouder een vervreemder is, wordt nauwelijks handhavend opgetreden en dit is onbegrijpelijk.

Is de oudervervreemdingscampagne succesvol en heeft het kind de band met de andere ouder doorkruist (volgens de praktijk als ‘copingmechanisme’), dan behoort tot het gedrag van de vervreemder ook, dat deze stopt met zich te conformeren aan de andere verplichtingen die behoren tot de (gezamenlijke) ouderlijke verantwoordelijkheid.

Deze situaties zijn eenvoudig te herkennen. Naast dat de ‘inmiddels coalitie-ouder’ zich niet (meer) conformeert aan de ouderschapsnormen, houdt deze zich veelal ook niet meer aan de informatieplicht en de consultatieplicht, of worden deze verplichtingen slechts ‘voor de bühne’ marginaal ingevuld. Wat we veel zien is dat zo een ouder zich verontschuldigd door aan te geven ‘dat het kind dit niet zou willen’. Het spreekt voor zich dat dit soort ouders zelden tot nooit zelf de stap naar de rechter maken om ontheven te worden van hun ouderlijke plichten (jegens de andere ouder) en dít is een andere belangrijke indicator dat de ouder zich bedient van vervreemdingsgedrag.

Oudervervreemding impliceert dat er eerst wél omgang was evenals een band tussen het kind en de andere ouder. Oudervervreemdend gedrag kan op elke leeftijd starten. We zien het in de praktijk gemiddeld genomen beginnen vanaf het moment dat het kind ongeveer 4-jaar oud is. Meestal vormt de relatiebreuk de directe aanleiding. Verder zien we een prevalentie van vervreemdingsgedrag bij hoofdverblijfouders, echter het komt ook voor dat de niet-hoofdverblijfouder dit gedrag vertoont.

Een bijzondere categorie zijn de ‘vroege-levensfase-vervreemdingen’. In veel van deze gevallen start het vervreemdingsgedrag al direct na de geboorte. In deze situaties is het veelal de moeder die het kind de ontwikkelende band met de ‘goed-genoeg’-vader ontzegt. Een voorbeeld van zo een situatie lees je in deze uitspraak en deze uitspraak van Rechtbank Limburg. Opmerkelijk genoeg zien we weinig beweging in de rechtspraak om dit gedrag een halt roepen. In plaats daarvan oordeelt de rechtspraak veelal dat de vader zich moet schikken naar de wensen (en het tempo) van de moeder, vanuit samengevat het idee dat ‘regie en toezicht’ de moeder hopelijk laat inzien dat zij emotionele toestemming moet/kan geven aan het kind om een band te ontwikkelen met de vader. Dit soort situaties leiden in veel gevallen tot eindeloze draaideur-rechtspraak en -hulpverlening. Heel veel kinderen groeien daardoor op met een onderdrukte gehechtheidsrelatie met hun vader en blijvende schade in hun ontwikkeling.

Er ligt een belangrijke taak voor rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, hulpverlening en GI’s om te toetsen in hoeverre ouders zich toewijden aan hun wettelijke inspanningsplichten (naar elkaar), alsmede wat niet-welwillend gedrag drijft. Dit verzuimen ondermijnt het bereiken van oplossingen. De ouderlijke plichten staan niet voor niets in de wet. Ze dienen om voor het kind een optimale ontwikkelingsbasis te bewerkstelligen. Daar is in het kader van de wetgevingsprocessen goed over nagedacht. Alles begint met het niet-naleven van de ouderlijke verantwoordelijkheden. Dan behoort een interventie zich primair daar op te richten. Lees onze visie over hoe: Ouderverstoting op te lossen of te voorkomen.

Externe bronnen

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit

Bijgewerkt: 9 januari 2026
Je mag zoveel informatie van de andere ouder over je kind verwachten als nodig om aangehaakt te blijven aan het leven van je kind (bij die ouder), dat je kunt deelnemen aan besluitvorming over gewichtige verzorgings- en opvoedaspecten én zodat de informatieverstrekking de band bevordert die je hebt met je kind. Dat is wat samengevat de informatieplicht van ouders omvat.

Dit antwoord is echter veel meer omvattend dan in de rechtspraak gebruikelijk is. Hierin zien we overwegend dat ouder worden opgeroepen zich er aan te houden. Aan het zich er niet of onvoldoende aan houden wordt evenwel zelden tot nooit consequenties verbonden en hier ligt o.i. nadrukkelijk een opdracht voor de rechtspraak. Voor een voorbeeld van zo een oproep lees je in deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam. Hierin overweegt de rechter o.a.:

Sinds de minderjarige bij de man verblijft heeft zij nauwelijks contact met hem gehad. Ook de man heeft nagelaten de vrouw te informeren over hoe het gaat met de minderjarige, zelfs toen de minderjarige naar de spoedeisende hulp moest vanwege een vermoedelijke blindedarmontsteking. Dat baart de rechtbank grote zorgen. De rechtbank begrijpt de houding van de man niet en hoopt dat de man inziet dat zijn houding schadelijk is voor de minderjarige. Het is aan de man om de vrouw te informeren en, als de minderjarige bij hem verblijft, te stimuleren dat de minderjarige contact heeft met de vrouw. Ook van de vrouw mag worden verwacht dat zij over zaken die de minderjarige betreffen rechtstreeks het contact zoekt met de man. Het is aan beide partijen om over hun schaduw heen te stappen en te zorgen voor gedegen onderlinge communicatie zonder daarbij de minderjarige te belasten.

Niet slechts informatie over ‘belangrijke’ zaken en/of die normstellend zijn

Over het type onderwerpen dat de informatieplicht omvat is in de Memorie van Toelichting van wetsvoorstel 23012 o.a. het volgende opgemerkt;

Voorts wordt uitgegaan van een expliciete gehoudenheid van de met het gezag belaste ouder om de andere ouder over gewichtige verzorgings– en opvoedingsaspecten te informeren en indien terzake beslissingen moeten worden genomen hem vooraf te raadplegen, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van derden. (…) Naast omgang en de bereidheid om te komen tot goede afspraken op dat punt is ook de bereidheid tot overleg met elkaar over zaken die van belang zijn voor de ontwikkeling van het kind, in het belang van dat kind, in het bijzonder van een goede ouder-kind relatie. Is er een omgangsregeling getroffen, dan zal de medewerking die de met het gezag belaste ouder daaraan behoort te verlenen, reeds inhouden dat laatstgenoemde ouder de ander in voldoende mate op de hoogte houdt van het wel en wee van het kind.

In de Memorie van Toelichting staat echter ook het volgende:

In de tekst wordt gesproken van «gewichtige aangelegenheden». Hieruit mag evenwel niet worden geconcludeerd dat het in het dagelijkse leven geen regel is de andere ouder bij het wel en wee van het kind te betrekken. In feite behoort het zo te zijn dat de niet met het gezag belaste ouder die bij de opvoeding betrokken wil blijven, daartoe door de andere ouder in de gelegenheid wordt gesteld. Omdat dit niet voor iedere ouder een vanzelfsprekende zaak is, wordt de informatie– en consultatieplicht over gewichtige zaken als een minimumvoorwaarde gesteld.

Samengevat zijn gewichtige aangelegenheden dus het minimum en dient de ouder met het gezag de andere ouder dus te betrekken bij niet-gewichtige aangelegenheden indien deze ouder op dat niveau betrokken wil zijn bij de verzorging- en opvoeding van het kind (hetgeen in de praktijk veelal het geval zal zijn).

Vastgestelde informatieregelingen met onvoldoende kwaliteit en frequentie

Verzoekt een ouder de rechter een informatieregeling vast te stellen, dan zien vooral regelingen die ouders op achterstand houden. Dit gebeurt door van de hoofdverblijfouder geen ruimhartige en intensieve informatieverstrekking te verlangen. Tevens wordt de verplichting die deze ouder heeft om de andere ouder te raadplegen (de consultatieplicht) veelal volledig genegeerd, wat haaks staat op de wettelijke plicht van deze ouder. De rechtsingang voor de informatie- en consultatieplicht is bij eenhoofdig gezag artikel 1: 377b BW en bij gezamenlijk gezag artikel 1:253a lid 2 onder c BW.

Artikel 1:377b lid 1 BW:
1. De ouder die met het gezag is belast, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2. Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.

Informatieregelingen zijn veelal eenmaal per 1 tot 3 maanden een bericht op hoofdlijnen, zie voor een voorbeeld deze uitspraak van Gerechtshof Den Bosch. Er worden zachte kwalificaties gebruikt als ‘de ouder op de hoogte houden’ en informatieverstrekking over ‘het welzijn en de ontwikkeling van het kind’. Het zijn bijna altijd regelingen die de ouder met de informatievoorsprong niet prikkelen om kwalitatief hoogwaardige informatie te verstrekken.

Het spreekt voor zich dat zo een informatieregeling in de meeste gevallen totaal niet voldoende is om te voldoen aan het hiervoor omschreven doel. De berichten die er wél komen zijn (vanzelfsprekend) veelal ‘jubel’-berichten, zoals hoe goed het gaat met het kind (lees: zonder de aanwezigheid van de andere ouder), of hoezeer het kind nog leidt onder waar die andere ouder schuld aan zou hebben.

Als de hoofdverblijfouder er zich (opzettelijk) makkelijk van afmaakt door nauwelijks zinvolle informatie te verstrekken of zelfs bijvoorbeeld oude foto’s toezendt, dan komt die ouder in de meeste gevallen er gewoon mee weg. Niet alleen is een rechtszaak over nakoming van de informatieregeling meestal te kostbaar, ook wordt zelden tot nooit een dwangmiddel verbonden aan de kwalitatieve aspecten van de informatieregeling.

Een positieve uitzondering hierop is deze uitspraak van Rechtbank Rotterdam. Deze verdient o.i. navolging en daarom lichten we hem hier ook uit. Het betreft een situatie waarin een moeder geen contact meer heeft met haar 3 kinderen waarvan er 2 nog minderjarig zijn en waarin bij een eerdere zitting een 2-wekelijkse informatieregeling is vastgesteld. De vader wil naar 1 keer per maand omdat er ‘niet altijd iets te melden is’.

De rechter is het hiermee niet eens en overweegt het volgende:

“De rechtbank benadrukt het belang van het verstrekken door de man van informatie over [naam05] en [naam06] zolang er tussen hen en de vrouw geen contact is. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat er altijd iets te vertellen valt over de dagelijkse bezigheden van de kinderen (zoals hun bezigheden thuis en op school, hun interesses, vriendschappen en mogelijke bijbaan). Die informatie – hoe triviaal wellicht in de ogen van de man – is voor de vrouw van wezenlijk belang zolang zij geen contact heeft met de kinderen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de in de informatieregeling bepaalde frequentie van informatieverstrekking te verminderen en wijst de man erop dat hij niet kan volstaan met de opmerking dat er niets te melden valt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man in staat moet worden geacht iedere 2 weken een bericht van minimaal 300 woorden per minderjarige plus een goed gelijkende (kleuren)foto van iedere minderjarige aan de vrouw te zenden.”

Hoe de rechter hier redeneert juichen we toe. Het verstrekken van informatie dient meerdere doelen. Hiervan is één omdat het voor de moeder (persoonlijk) van ‘wezenlijk belang’ is, hetgeen volledig invoelbaar is. Hoewel het niet zo is geformuleerd door de rechter, is op basis van hoe de rechter hier redeneert o.i. te stellen dat het in onvoldoende mate verstrekken van informatie een schending oplevert van ‘het recht privéleven’ van 8 lid 1 EVRM.

Artikel 8 lid 1 EVRM:
Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In een een andere zaak, ditmaal bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wordt een moeder die een minimale omgang heeft met haar kind het ouderlijk gezag ontnomen. Hierdoor verliest moeder de mogelijkheid om zelfstandig informatie te vragen bij o.m. professionals. Het hof overweegt in deze uitspraak dat juist in de situatie dat de moeder geen gezag heeft, het van groot belang is dat de moeder voldoende betrokken blijft om goed invulling te kunnen geven aan haar rol als ouder. Ook deze normstelling juichen we toe, echter zien we deze door de rechtspraak nog niet uniform toegepast worden in vergelijkbare situaties. Ook is het andermaal een subjectieve norm. Wie bepaalt tenslotte wanneer vader voldoende informatie verstrekt? Dit zal moeder dan weer gerechtelijk moeten laten toetsen. En dit geeft o.i. teveel ruimte aan een hoofdverblijfouder, ruimte die we hier in de praktijk veel misbruikt zien worden.

In deze uitspraak van Gerechtshof Den Haag is ‘informatie’ wederom een kerngeschil. Hierin had Rechtbank Den Haag de vader het ouderlijk gezag ontnomen omdat geparafraseerd: ‘de communicatie te slecht zou zijn’. Zodra de vader zijn gezag verloor nam de moeder evenwel diverse belangwekkende gezagsbeslissingen zonder de vader daarover te informeren (of consulteren, toevoeging o.z.). De strijd die hieruit vervolgens voortvloeide tussen de ouders vond het hof niet in het belang van de kinderen, wat één factor was om het ouderlijk gezag aan de vader weer terug te geven.

Tot slot deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Deze was ingeleid door een zgn ‘informele rechtsingang’ van het kind, waarin deze vroeg dat de moeder geen informatie meer over hem zou krijgen. De rechter geeft echter ‘gewicht’ aan het informatierecht en overweegt daartoe o.m.:

Met de moeder is de kinderrechter het eens dat de informatieverplichting een fundamenteel recht is waar niet zomaar aan getornd kan worden. Hiermee moet voorzichtig worden omgegaan, zelfs in de hypothetische situatie dat de moeder geen gezag over [minderjarige] zou hebben. Een inmenging in dat recht vraagt dan ook om grondig onderzoek. Dat onderzoek is niet verricht. Op grond van de ingewonnen informatie tijdens de zitting is voor de kinderrechter onvoldoende komen vast te staan dat de situatie van [minderjarige] vraagt om het buiten toepassing verklaren van de wettelijke informatieplicht. De kinderrechter heeft voor nu dan ook onvoldoende handvatten gehoord om de bestaande informatieregeling stop te zetten en daarmee af te wijken van het wettelijk uitgangspunt.

Kan de GI bij een ondertoezichtstelling hierin vooruit stappen?

Als een ouder zich niet houdt aan de informatieplicht (en de consultatieplicht) dan staat dit in de meeste gevallen in de weg aan het bereiken van het doel dat elke ondertoezichtstelling in beginsel beoogt; namelijk: dat ouders weer in staat (zullen) zijn om de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid uit te oefenen.

Volgens deze uitspraak van Gerechtshof Den Bosch kan het van een ouder met het gezag gevergd worden dat deze informatie verstrekt en in deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant stapte de betrokken GI vooruit en gaf i.c. de vader een schriftelijke aanwijzing om de moeder maandelijks van informatie te voorzien. De vader volgde die echter niet op en daarom verzocht de GI de rechter om de informatieregeling te bekrachtigen, hetgeen deze deed onder oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.

Overigens in deze zaak misten zowel de GI, de Raad voor de Kinderbescherming én de rechter dat de vader ook een consultatieplicht en toestemmingsplicht heeft aangaande gezagsbeslissingen. Door dit niet ook expliciet te regelen gaf de rechter de vader feitelijk indirect mandaat om zich hier niet aan te houden (overigens dus zonder deugdelijke motivering).

Een andere variant is dat de rechter de inhoud, vorm en frequentie van de informatieregeling kan overlaten aan de betrokken GI. Zo een beslissing lees je in deze uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Informatieregeling die verder gaan dan de huidige standaard

Een vader en zijn dochter hebben geen contact met elkaar. De moeder informeert en consulteert de vader ook niet (meer) over het kind. De moeder stelt o.m. dat door het ‘heimelijk maken van foto’s’ de band met haar kind onder druk komt te staan.

Het hof gaat hierin niet mee en overweegt o.m. dat:

Met hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht is, behalve emotionele weerstand, geen enkele reden gegeven waarom het sturen van een foto van [minderjarige] aan de man bezwaarlijk zou zijn. Het hof ziet daarom geen reden om af te wijken van de vastgestelde informatieregeling die tevens het sturen van een foto van [minderjarige] aan de man omvat. Het hof is van oordeel dat het de taak van de verzorgende ouder is om deze minimale informatie, inclusief foto, aan de andere ouder te verstrekken.

Volledige uitspraak

Naschrift:

De ouders worden naar hulpverlening gezonden om o.m. aan contactherstel te werken. De houding van moeder toont echter weinig goeds voor de uitkomst. Het niet naleven van de informatie- en consultatieplichten en het noodzakelijk zijn van een gerechtelijke regeling daaromtrent, toont ook dat moeder zich niet houdt aan haar plicht om de banden tussen het kind en de vader te bevorderen.

Een moeder heeft nauwelijks contact meer met haar kinderen en de vader informeert haar onvolledig en te laat.

Het hof overweegt het volgende:

Het hof acht het in het belang van de kinderen wenselijk dat de vader de moeder eenmaal per maand schriftelijk of per e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen en over belangrijke zaken die hen betreffen, waaronder in ieder geval hun schoolgang, vrijetijdsbezigheden, gezondheid en medische zaken. Hierdoor kan de moeder op de hoogte blijven van de ontwikkeling en leefwereld van de kinderen en kan zij beter bij hen aansluiten mocht op enig moment alsnog contactherstel plaatsvinden. De kinderen hebben in het kindgesprek aangegeven dat zij ook wel begrijpen dat de moeder over hen geïnformeerd wil worden en dat zij daar op zichzelf geen bezwaar tegen hebben. Zij hebben wel de wens uitgesproken dat dit in een context gebeurt waarbij niet (langer) met de moeder gestreden hoeft te worden over aangelegenheden zoals financiën, paspoorten/identiteitsbewijzen en inschrijving bij huis- of tandarts.

Aan de zijde van de vader geldt dat een enkele zin dat het met de kinderen goed gaat of een verwijzing naar de hockey- dan wel schoolapp, waarvoor de vader ook wel kiest, niet volstaat Aan de andere kant is het ook niet de bedoeling dat de moeder reageert met een groot aantal vragen op de berichten van de vader met informatie over de kinderen. Het is aan beide ouders om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen en elkaar op passende manier te benaderen. Indien dit niet lukt is het raadzaam daarbij, gezamenlijk of ieder voor zich, hulp in te roepen.

Volledige uitspraak

Naschrift:

Maandelijks is al beter dan eens per kwartaal. Het hof wijst de vader erop dat zijn berichten kwalitatief onder de maat waren, echter verzuimt te toetsen waarom dit niet zelf door de vader is bedacht en waarom hij daarop ook niet heeft gehandeld. In hoeverre kan het een ouder die verder verstoken is van contact werkelijk worden aangerekend dat deze ‘veel vragen’ stelt?

Een moeder heeft de begeleide omgang tussen de vader en zijn kind van 2 gestopt omdat de begeleiding heeft aangegeven de begeleiding niet te kunnen voortzetten (en er geen noodzaak toe te zien). De vader vordert nakoming. De rechter beslist o.m. tot een raadsonderzoek, een beperkte wekelijkse videocontactregeling en legt tevens een informatieregeling aan de moeder op:

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader wekelijks via Whatsapp foto’s zal sturen van [minderjarige] één keer per maand per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige].

Volledige uitspraak

Een moeder heeft nauwelijks contact meer met haar kinderen en de vader informeert haar onvolledig en te laat. De kinderen staan onder toezicht.

De Raad voor de Kinderbescherming stelt het volgende:

“De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat gezamenlijk gezag betekent dat de ouders ook gezamenlijk beslissingen moeten nemen en dat dit met zich brengt dat zij over recente informatie moeten beschikken. Als een ouder slechts eenmaal per maand informatie ontvangt van de andere ouder is het niet mogelijk om samen (gezags-)beslissingen te nemen en kan het gezag feitelijk niet uitgeoefend worden. De raad heeft voorgesteld om na de zitting een document met een gedetailleerd kader voor informatieafspraken naar het hof en partijen te sturen. Dat kader voorziet in termijnen waarbinnen informatie uitgewisseld moet worden tussen de ouders, waarbij rekening gehouden wordt met de stem en de wensen van de kinderen zonder dat zij daarin de regie krijgen.”

Het hof overweegt het volgende:

“Het is belangrijk dat de moeder een beeld heeft van de recente ontwikkelingen in het leven van de kinderen, zodat zij kan aansluiten bij wat er in het leven van de kinderen speelt. Deze informatievoorziening is een basisvoorwaarde om het contact tussen de kinderen en de moeder te kunnen herstellen. De onderwerpen waar de vader de moeder (in ieder geval) feitelijke informatie over dient te verstrekken zijn: hobby’s, sport, school, sociaal leven en medische zaken. Dit sluit aan bij wat de moeder heeft verzocht. Wat betreft de school van [minderjarige 1] gaat het hof ervan uit dat de vader de moeder informeert voor zover het gaat om informatie die de moeder niet zelf van school kan krijgen (zoals via Magister). Van de vader mag bovendien verwacht worden dat hij, indien er onverwachte ingrijpende gebeurtenissen plaatsvinden in het leven van de kinderen (bijvoorbeeld op school, op medisch gebied of daarbuiten), de moeder daar onmiddellijk en uiterlijk binnen vierentwintig uur van op de hoogte stelt. Het hof zal deze regeling vastleggen.”

Volledige uitspraak

Naschrift:

Eindelijk weer eens een uitspraak waarin er wordt doorgepakt op het punt van de informatieregeling.

“De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man in staat moet worden geacht iedere 2 weken een bericht van minimaal 300 woorden per minderjarige plus een goed gelijkende (kleuren)foto van iedere minderjarige aan de vrouw te zenden.”

Volledige uitspraak

“bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per twee weken per e-mail informeert over de ontwikkelingen van de kinderen”

Volledige uitspraak

De informatieplicht begrenst door een onderzoeksplicht?

We zien soms dat er een verantwoordelijkheid wordt neergelegd de andere gezaghebbende ouder om zelf informatie te vergaren. Dit argument wordt dan ingezet om het niet-naleven van de informatieplicht – door de ouder die over de informatie beschikt – te vergoelijken. Zo ook de Raad voor de Kinderbescherming in deze uitspraak van Gerechtshof Amsterdam.

De informatieplicht van een gezaghebbende ouder jegens de andere ouder wordt in de wet (artikel 1:377b BW) echter slechts beperkt door het belang van het kind (wat een ouder overigens niet vrijelijk kan interpreteren), zie bijvoorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Den Haag. Dit betekent dat er geen wettelijke basis is om een vermeende onderzoeksplicht de informatieplicht te laten begrenzen.

Verder is het algemeen bekend dat de meeste professionals zich helemaal niet bezighouden met de vraag of er nog een andere ouder met het gezag is en op basis van de toestemming van één ouder overgaan tot bijvoorbeeld medische behandelingen. Dit maakt het dan ook feitelijk onmogelijk voor de andere ouder om deze informatie zelfstandig te vergaren. Zorgverzekeraars bijvoorbeeld leggen een expliciete blokkade op informatie over het kind in de systemen als deze op de polis bij de andere ouder is ingeschreven, zgn. vanwege de privacy van de polishouder.

Het omdenken van informatieregelingen

Het is van belang dat informatieregelingen worden ‘omgedacht’, met name door de rechtspraak. De rechtspraak dient consistent te gaan verlangen dat ouders ruimhartig omgaan met het (wederzijds) verstrekken van informatie over het kind of deze plicht bij die ouder wegnemen, zoals in deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam. Dit niet doen creëert de fundatie voor het klem raken (en blijven) van het kind. Het weerstand bieden tegen een ‘intensieve informatieregeling’ zou o.i. altijd een contra-indicatie moeten zijn voor de welwillendheid van een ouder. Het zonder rechterlijk mandaat niet-ruimhartig verstrekken van informatie is een vorm van (voortdurende) ex-partnerstrijd en daarmee een vorm van kindermishandeling.

Dit is vooral van belang in situaties waarin de andere ouder geen of weinig contact met het kind heeft, of bij ouderafwijzing. Geen of marginale informatie verstrekken leidt er bijvoorbeeld toe dat die ouder onvoldoende aangehaakt blijft en bijvoorbeeld niet meer (leedtijds-)adequaat bij het kind kan aansluiten. En dát is in strijd met de plicht van die ouder om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.

Overigens zien we wel af en toe dat er dwangsommen worden verbonden aan het geheel niet nakomen van een informatieregeling, zoals in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter, ook in die zaak is er niets gezegd over de kwaliteit van de door de moeder te verstrekken informatie. Onbegrijpelijk ons inziens.

NB: Lees je dit als hulpverlener, realiseer je dan dat informatie over het kind inperken één van de meest gebruikte strijdvormen is om de andere ouder te raken (en het kind van die ouder te verwijderen). De wet geeft aan ouders een positieve inspanningsplicht. Niet-naleving hiervan, zonder rechterlijk mandaat, dient altijd kritisch uitgevraagd te worden. Dit niet doen bevestigd die ouder slechts in (de effectiviteit van) het zelfbepalende gedrag/de eigenrichting dat het niet-naleven van deze plicht feitelijk is.

Grenzen aan de informatieplicht

In de rechtspraak zien we af en toe situaties waarin een ouder wordt ontheven van de informatieplicht. Dit zijn dan veelal zaken waarin tevens ernstig huiselijk geweld heeft gespeeld. Zie voor een voorbeeld deze uitspraak van Rechtbank Amsterdam waarin de rechter de informatieplicht van de moeder ambtshalve terzijde stelt. In deze uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland dient de vader zich voor informatie te richten tot hulpverlening. En in deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden krijgt de moeder wel een kwalitatief hoogwaardige informatieregeling opgelegd, echter kan zij de betrokken hulpverlening betrekken om dit voor te bereiden, zodat zij dit slechts nog hoeft te accorderen.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Niet-welwillend gedrag in vechtscheidingen kent vele verschijningsvormen. Het kan zich manifesteren over de as van het kind, op inter-ouderniveau, professionals beïnvloeden of derden in de privésfeer manipuleren voor de eigen negatieve doelen.

Niet-welwillend gedrag in vechtscheidingen leidt tot kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en kinderen die voor hun leven beschadigd raken. Het is een vorm van kindermishandeling en geestelijk geweld. Niet-welwillend gedrag betekent dat de ouderschapsnormen en/of andere wettelijke plichten, zoals informatie– en consultatie, door de betreffende ouder niet worden nageleefd.

Niet-welwillend gedrag is in de meeste gevallen ook bijzonder belastend voor de welwillende ouder en diens omgeving. Daarmee is het ook een vorm van (potentieel strafbaar) psychische geweld/intieme terreur van de ex-partner en diens thuissituatie, waartoe bijvoorbeeld ook kinderen behoren. We zien geregeld dat het kind als wapen wordt ingezet, bijvoorbeeld door zelfbepalend gedrag door het kind bij de andere ouder te stimuleren of door het kind te ‘kopen’.

Voorbeelden van niet-welwillend gedrag uit de praktijk

1. Over de as van het kind (= kindermishandeling)

  • Oudervervreemding met ouderverstoting door het kind als uiteindelijk doel (6). Dit kan zich in vele vormen van ‘loyaliteitsbeïnvloedend gedrag’ manifesteren dat tot doel heeft de “emotionele banden” tussen het kind en de andere ouder te frustreren. Anders gezegd geeft die ouder het kind geen emotionele toestemming. Het manifesteert zich bijv. in:
    • Het kind ‘kopen’; met aandacht, leuke uitjes in de contacttijd die het kind met de andere ouder heeft of meer (niet-leeftijdsproportionele) verantwoordelijkheden (6). Dit zien we met name bij alleengaande ouders, voor wie het kind ‘alles’ is. Hiertoe behoort ook bijvoorbeeld het opzettelijk handhaven van ruime(re) opvoednormen, wat met name bij puberende kinderen ertoe kan leiden dat deze gevoed worden om de confrontatie aan te gaan met de ‘striktere’ ouder. We zien een heel scala aan verschijningsvormen echter opvallend vaak slapen de kinderen (in), in het bed van die ouder.
    • Het promoten / niet-ombuigen van disloyaal gedrag van het kind naar de andere ouder (6).
    • Het delen van eenzijdige beslissingen met het kind, voorafgaand aan overleg of overeenstemming tussen de ouders (6,7).
    • Het kind eenzijdig steeds meer gekleurde informatie geven over (in)acties van de andere ouder, of gedrag dat het kind observeert bij de andere ouder – in reactie op (in)acties door de niet-welwillende ouder – ‘ontvangen met met geveinsde liefde’ (2,6).
    • Continue aanwezigheid in het kind (wanneer het kind bij de andere ouder is), bijvoorbeeld i.v.v. herhaaldelijk WhatsApp-contact (ook al is dit op initiatief van het kind zelf), postkaartjes, aankondigingen van planbare ‘leuke gebeurtenissen’ waardoor het kind gevoelsmatig wordt weggetrokken en/of niet volledig kan landen bij de andere ouder (6). Lees ook: Ex heeft veelvuldig contact met ons kind wanneer bij mij. Wat nu?
    • Het (in het bijzijn van het kind) opzettelijk kwaadspreken over de andere ouder of anderszins twijfel bij het kind creëren over de goede intenties van die ouder of diens geschiktheid (2,6).
    • Het kind iets moois voorspiegelen dat het voormalige gezin betreft, en wat correspondeert met de diepste hartenwens van het kind (lees: normalisering ouderrelatie), doch wat gezien de voorgeschiedenis onrealistisch is en waarbij de andere ouder ook niet is betrokken, met het doel dat die ouder dit afwijst en daardoor het kind teleurstelt (4,6).
    • De andere ouder buitensluiten door het kind (zonder overleg of overeenstemming met de andere ouder) actief te mandateren dat deze volledig zelf bepaalde keuzes kan maken, bijvoorbeeld keuze voor middelbare school/sportclubs/bedtijd/buitenland-vakanties (3,6).
  • Het tijdens overdrachten in het bijzijn van het kind een ouderlijke discussie starten waarbij het kind als ‘schild’ wordt ingezet (6).
  • Disproportioneel kindbeschermend gedrag op basis van een niet-gefundeerd standpunt dat het kind alleen veilig is bij deze ouder (en niet bij de andere); het cultiveren van een symbiotische relatie (5,6).
  • Verschuilen achter ‘de wil’ van het kind; stellen dat “het kind zich niet laat ompraten/aan de haren laat meetrekken”. Richting het kind stellen dat deze vanaf 12 jarige leeftijd zelf kiest, dan wel aansturen op een keuzemoment. Een ‘keuze’ van het kind niet ombuigen (6,7).
  • Geen enkel extra omgangsmoment toelaten. Het nodeloos strikt zich houden een vastgestelde regeling. Onverdeelde studiedagen bijvoorbeeld nooit laten toevallen aan de andere ouder, maar ook niet bij bijzondere gebeurtenissen bij de andere ouder of in diens familie/gezin (3).
  • Het niet bevorderen of actief frustreren van de hechtingsband tussen het kind en bijvoorbeeld een grootouder, stiefouder, halfbroertjes/zusjes. Veelgebruikte tactiek: ‘Leuke’ activiteiten plannen op bijvoorbeeld verjaardagen, zodat het kind op die momenten niet bij de andere ouder kan zijn zonder ‘loyaliteitsdruk’ (6).
  • Herhaaldelijk zonder overleg schrappen van omgang met ‘ziekte van het kind’ als argument, terwijl toegang wordt geblokkeerd en er ook nooit compensatie voor gemiste dagen wordt aangeboden (7).
  • Communicatielijnen (tijdens vakanties) blokkeren waardoor er geen (vrij) contact kan zijn tussen het kind en de andere ouder (en diens zijde). Het ook niet bevorderen van periodiek tussentijds contact (3,6).
  • Controlegedrag met betrekking tot de thuissituatie van het kind bij de welwillende ouder. Ook wel het inzetten van het kind voor ‘spionageactiviteiten’. Het meegeven van trackers of telefoons met het doel belastende informatie te vergaren. Willen bepalen met wie het kind (niet) omgaat bij de andere ouder (6).
  • Kind-eigen diagnostiek richting het kind ontkennen, bijvoorbeeld door weerstand in het kind aan te wakkeren tegen een onderzoek/hulpverlening geïnitieerd door de andere ouder (5,7).
  • Het stapsgewijs wegverhuizen van de sociale context van het kind, bijvoorbeeld naar de omgeving van een nieuwe relatie of baan. Het doel is een verhuizing, die een wijziging in de zorgverdeling noodzaakt (3,4,6).
  • Ouderlijke titels (papa/mama) voor nieuwe partners; dat kinderen ouder bij voornaam noemen wordt niet gecorrigeerd (6,7).
  • Afdreiging: het opschorten van omgang of weerstand bieden als gevolg van (een aankondiging van) een gerechtelijke procedure (6,7).

2. Op (inter-) ouderniveau (= kindermishandeling omdat het kind hierdoor in een onveilige situatie blijft)

  • Meest voorkomend: Intieme terreur door middel van dwingende controle (in het Engels ook wel coercive control, post-separation control en post-separation abuse) (5,7). Het uit zich in o.m.:
    • Een dringende regiebehoefte, directieve projectie van eigen regels en pestgedrag. Het heeft tot doel om de inter-oudersituatie niet tot rust te laten komen. Steeds opnieuw worden nieuwe strijdterreinen geopend of ze worden steeds fijnmaziger gemaakt (3,7).
    • Eigenrichting; bijvoorbeeld door zich niet te houden aan uitspraken van een rechter en/of het ouderschapsplan en/of andere onderlinge afspraken (al dan niet totstandgekomen op initiatief van hulpverlening/instanties. (3,5).
    • Het negeren van de ex-partner als persoon, door bijvoorbeeld stiltebehandelingen, communicatiestops, ‘uitvallende’ communicatiemedia of blokkades. Geen normaal antwoord geven op normale vragen. Geen updates tijdens vakanties/verblijf van het kind bij die ouder, of bij ziekte. Het niet verstrekken van adresinformatie waar deze ouder met het kind feitelijk woont (hoewel in beginsel verplicht bij gezamenlijk gezag). Geen contact toelaten tijdens de verjaardag van het kind (7).
    • Niet meewerken aan DNA-onderzoek ten behoeve van vaststellen afstamming van het kind (3).
    • Het niet-steunen, dwarsbomen of negeren van positieve acties en voorstellen van de welwillende ouder op inter-ouderniveau of kind-gericht (3,5).
    • Het niet ruimhartig voldoen aan de informatieplicht, consultatieplicht, alsmede de (vervangende) toestemming-vooraf-plicht (3).
    • Het (financieel) uitputten van de welwillende ouder door veelvuldig procedures te starten of uit te lokken, zonder aantoonbaar consistent welwillend gedrag daaraan voorafgaand (3,5). Lees ook: V&A: Wat is vexatoir procederen?
    • Dwarsliggen met als doel om de thuissituatie van de andere ouder te destabiliseren, of om negativiteit in de omgangsmomenten te projecten die het kind daar heeft. Dit kan rechtstreeks richting het kind zijn of via de andere ouder (of diens omgeving). Hieronder valt ook onduidelijkheid laten bestaan/creëren of een omgang wordt nagekomen, danwel hoe laat wordt het kind wordt gebracht/gehaald (3,4).
    • Een grote mate van rigiditeit: Flexibiliteit verwachten/flexibel zijn wanneer het de eigen belangen dient, doch geen wederkerigheid betrachten. Ook wel samen te vatten als: Gunsten worden aanvaard, normale verzoeken worden afgewimpeld (3).
    • Onzekerheid laten bestaan of het kind beschikbaar/bereikbaar is bij belangrijke gebeurtenissen aan de zijde van de andere ouder (huwelijken/uitvaarten/ziekte van een ouder), ook in combinatie met communicatieblokkades wanneer het kind bij deze ouder is, of het dwarsbomen van aanwezigheid (3,4).
    • Treitergedrag door het openen van een nieuw strijdterrein (via het kind) te insinueren; bijvoorbeeld het kind warm laten lopen voor een zgn. verhuizing naar een plek die een verandering van de zorgverdeling noodzakelijk zou maken, met het doel dat deze daarover bij de andere ouder vertelt (4,7).
    • Het schrappen van omgangen en/of overdrachtsmomenten op basis van een zelfgecreëerde urgentie, bijvoorbeeld om het kind een bepaalde behandelaar te laten zien en of ‘ziekte’ als argument te hanteren (3,7).
    • Agressie, valse aangiften en meldingen bij de politie
  • Fysiek geweld of dreiging daarmee en/of ander vormen van (psychisch) geweld al dan niet tot het niveau dat het tot een veroordeling leidt. Lees in dit kader ook de V&A: Kan ik een beroep doen op het Verdrag van Istanbul? (5)
  • Bijkomend gedrag:
    • Niet-welwillende ouders ontkennen dat er sprake is van een loyaliteitsconflict in het kind omdat het gebrek aan loyaliteit tussen het kind en de andere ouder (vanzelfsprekend) uitsluitend het gevolg is van gedrag van de andere ouder naar het kind. Het eigen aandeel daarin wordt ontkend, zelfs wanneer de oorsprong aantoonbaar niet bij die ouder is (2,5).
    • Het buiten zichzelf plaatsen van oorzaken en oplossingen. Wanneer hulpverlening betrokken is en het kind bijvoorbeeld geen contact heeft met de andere ouder, alle eigen acties afhankelijk stellen van initiatieven van/regie door hulpverlening (5).
    • Het refereren naar onverifieerbare eigen inspanningen in plaats van naar concrete inspanningen en resultaten (5,7).
    • Het aanvoeren van allerlei excuses om het gebrek aan eigenaarschap te verbloemen, bijvoorbeeld het dwarsbomen van vooruitgang onder verwijzing naar ‘het verleden dat ouders onderling hebben’ en (vermeend/onbewezen) negatief gedrag van de andere ouder daarin (5).
    • Niet-welwillende ouders vinden een vermindering/beëindiging van de omgang tussen het kind en de andere ouder altijd de beste oplossing. Ze nemen ze geen eigenaarschap v0or de omkering en kunnen geen/onvoldoende positief eigenaarschap aantonen in de aanloop (5,6).

3. Richting of door middel van professionals. Lees ook de opinie: Intieme terreur en dwingende controle door systeem-triangulatie.

  • Onrechtvaardige karakterisering van de andere ouder. Zonder objectieve onderbouwing (waartoe ook behoort transparantie over het eigen gedrag) bij professionals het beeld wekken dat de andere ouder bijv. lijdt aan een psychische aandoening: Cluster B, A en/of C (2,1).
  • Het belemmeren van juiste feitenvinding door het onvolledig of onjuist weergeven van feiten en gebeurtenissen zowel ouder-kind als ouder-ouder. We maken soms mee dat er valse documenten worden gecreëerd en handtekeningen worden vervalst, regelmatig gesteund door een systeem dat niet ingrijpt (2,1,5).
  • Kruimelpad-communicatie; Impliciete verwijten en insinuaties vermengen met (zogenaamd) positief bedoelde berichten. Anticipeert er op dat professional onvoldoende in staat zal zijn om context (en werkelijke bedoeling) te doorgronden (2,7).
  • Het aannemen van de slachtofferrol; het steeds blijven verwijzen naar (onbewezen) historische negatieve gebeurtenissen op ex-partnerniveau of ‘angst’ die er zou zijn voor de ex-partner (5).
  • Eigen inspanningen en resultaten afhankelijk stellen van ‘wat hulpverlening wil/zegt te moeten doen’, geen/marginaal eigen initiatief of zelfwerkzaamheid tonen (5).
  • Professionals – zoals huisarts, school, speltherapeut, kinderpsycholoog, kindbehartiger, politie, jeugdbeschermer, raadsonderzoeker – voorzien van eenzijdige, onjuiste of onvolledige informatie en hen daarmee op het verkeerde been (trachten te) zetten. Professionals die deze ouder niet naar de mond praten, worden uitgeruild voor andere professionals (1,5).
  • Het inplannen van afspraken voor het kind met medische hulpverleners/artsen/specialisten in de tijd van het kind met de andere ouder, zonder afstemming met de andere ouder, laat staan medische noodzaak. Een afspraak waarbij die ouder dan aanwezig moet/wil zijn teneinde contact te kunnen hebben met het kind (3,7).
  • Het seksualiseren naar derden van normale dagelijkse verzorging bij een baby of jong kind (2,4).
  • Het inzetten van verklaringen of standpunten van professionals in een rechtszaak, veelal zonder dat deze professionals wederhoor hebben gepleegd bij de andere ouder en ook zonder dat ze zelf weten dat hun standpunten daarvoor worden ingezet (1,2).
  • Minachting van bepalingen, aanwijzingen en beschikkingen van officiële instanties, zoals van de rechtspraak of van een Gecertificeerde Instelling wanneer wel gehouden aan de ouderlijke plichten. We zien zeer geregeld dat ouders uitspraken van de rechter aan hun laars lappen (5,7).
  • Het opzettelijk opgeven van een onjuiste (geslachts)naam bij geboorte, zie o.a. deze uitspraak van Rechtbank Limburg (2,5).

4. Richting derden

  • Het besmetten van de sociale omgeving van de andere ouder (bijv. school/sport/wijk/zakelijk) door kwaad spreken of het creëren van twijfel rondom de (goede) intenties, capaciteiten en geschiktheid van die ouder; bijv. contactverboden veinzen, op het schoolplein en in het eigen sociale netwerk kwaadspreken over de andere ouder (2,4,5).
  • Het benaderen van de werkgever van de andere ouder om een ‘misstand’ te melden (4,5).

5. Overig

  • Zonder overleg en instemming van de andere ouder, én zonder objectieve zwaarwegende noodzaak op basis waarvan aannemelijk is dat de uitkomst van een eventuele gerechtelijke procedure niet kan worden afgewacht, met het kind wegverhuizen/onderduiken tijdens lopende procedures over omgang en/of ouderlijk gezag en/of tijdens hulpverleningstrajecten en/of ondertoezichtstellingen. Het wegverhuizen/onderduiken kan bijvoorbeeld tot doel hebben om de mogelijkheden voor omgang in te perken en/of om de schijn van een zwaarwegende noodzaak te wekken en/of om een wisseling van hulpverleners te forceren (3,6,7).
  • We zien regelmatig dat wegverhuizen tactisch wordt ingezet door ouders met eenhoofdig gezag om verdere rechtenverwerving door de andere ouder te blokkeren of om bij voorbaat een doordeweekse zorg voor de kinderen door de andere ouder te belemmeren (3,5,6).
  • Tot slot: Niet-welwillend gedrag gaat ook door in de rechtszaal. Voorbeelden hiervan zijn het advocaten toestemmen overvaltactieken in te zetten zoals: Pas op het allerlaatste moment omvangrijk verweer voeren, het kapen van de beeldvorming door het overleggen van een omvangrijke pleitnota vol onbewezen aantijgingen, het ene afhankelijk stellen van het andere (terwijl deze zaken onderling vanuit het perspectief van het kind niet samenhangen) en natuurlijk het standaard (in veel gevallen zinloze) verzoek tot niet-ontvankelijk verklaring, terwijl het wél kennis kunnen nemen door de rechter (en de Raad voor de Kinderbescherming) van de situatie evident wél in het belang van het kind is. We zien een trend in processtukken dat niet-welwillende ouders steeds vaker hun verzoeken/verweren opbouwen langs de lijnen van de 8 fasen van dwingende controle van Jane Mockton-Smith en/of de Factsheet Intieme Terreur doch dat er tegelijk geen openheid over daadwerkelijke dynamieken wordt gegeven en de eigen inbreng daarin. Er worden grote kwalificaties gebruikt over gedrag zoals stalking, zonder dat er enige materiele onderbouwing wordt geleverd (2,3,5,7).

Over de nummering achter elk voorbeeld

Heb je met een complexe scheiding te maken, dan kan je deze indeling gebruiken als hulpmiddel om gedragspatronen te analyseren. De nummering (1 t/m 7) bij de praktijkvoorbeelden maakt zichtbaar hoe niet-welwillend gedrag hier in de praktijk zich overwegend manifesteert, zowel in communicatie als in handelen.

Het kader helpt onderscheid te maken tussen reactief gedrag (voortvloeiend uit bijv. stress, angst, onmacht of onvermogen) en structureel sturend gedrag (gericht op controle, beïnvloeding of macht). Door gedrag op deze wijze te duiden, kunnen professionals:

  • onderliggende patronen herkennen (zoals controle via het kind of verschuivende normen);
  • hun eigen positie bewaken bij systeem-triangulatie; en
  • consistent sturen op constructief en welwillend gedrag bij beide ouders.

Zie ook de Methodologische toelichting hieronder voor theoretische achtergrond en bronverwijzingen.

De cijfers achter de praktijkvoorbeelden verwijzen naar de aard van het gedrag. Eén voorbeeld kan onder meerdere categorieën vallen.

  1. Misbruik van gezag of informatie: het gezag, de positie of informatie gebruiken om te sturen of te misleiden.
  2. Verdraaiing en drogredeneringen: feiten, intenties of woorden van de ander onjuist voorstellen.
  3. Verschuivende normen en eisen: steeds veranderende regels of voorwaarden hanteren.
  4. Afleiding en uitvergroting: de aandacht weghalen van de kern door irrelevante of overdreven punten.
  5. Slachtofferschap en wantrouwen: zichzelf als slachtoffer positioneren, bewijs negeren of anderen verdacht maken.
  6. Controle en beïnvloeding via het kind: het kind gebruiken als instrument in de strijd.
  7. Dubbelzinnige of tegenstrijdige gedragingen: verwarring zaaien door inconsistente of dubbele boodschappen.

Methodologische toelichting

De zeven categorieën vormen een praktisch kader om niet-welwillend gedrag te herkennen. Ze beschrijven patronen van handelen én communiceren die samenwerking belemmeren, wantrouwen versterken of controle over anderen vergroten. Het doel is signalering en bewustwording, geen diagnose of schuldtoewijzing.

De indeling is geïnspireerd op het wetenschappelijke FLICC-model (Cook, 2020), dat technieken van misleiding en beïnvloeding beschrijft. Deze principes zijn vertaald naar relationele en scheidingsdynamiek, en aangevuld met inzichten uit onderzoek naar coercive control (Stark, 2007), gaslighting en dubbele bindingen (Bateson, 1956) en oudervervreemding (Gardner, 1985).

De eerste vijf categorieën zijn te herleiden tot bekende patronen van misleiding en machtsuitoefening; de laatste twee zijn toegevoegd omdat zij specifiek voorkomen in (v)echtscheidingssituaties: (6) controle en beïnvloeding via het kind, en (7) dubbelzinnige of tegenstrijdige gedragingen die verwarring en afhankelijkheid creëren.

Niet-welwillend gedrag is vaak gelaagd: één handeling kan meerdere vormen combineren (bijv. verdraaiing, controle en strategische verwarring tegelijk).
De nummering bij elk praktijkvoorbeeld laat zien welke gedragsdimensies in dat voorbeeld samenkomen.

Verder is van belang dat voortdurende ex-partner strijd (over de as van het kind) indicatief kan zijn voor de vóór-scheidingsperiode. Lees ook: De conflictscheiding als complexe gezinsproblematiek : Waarom screening op huiselijk geweld essentieel is. Eén quote wordt in het bijzonder uitgelicht:

“Vooral dwingende controle is een potentieel gevaarlijke vorm van partnergeweld, omdat de plegers ervan vaak ook na de scheiding doorgaan met hun intimiderende gedrag, bijvoorbeeld in de vorm van: het inzetten van het rechtssysteem tegen de ex-partner middels leugens en intimidatie, stalking en de andere ouder tegenover de kinderen in een kwaad daglicht zetten (Crossman, Hardesty, & Raffaelli, 2016; Toews & Bermea, 2017; Zeoli, Rivera, Sullivan, & Kubiak, 2013). Ook zijn er aanwijzingen dat deze plegers als opvoeder van hun kinderen vaak tekortschieten, in de vorm van gebrek aan warmte en veelvuldige afwijzing, tot mishandeling aan toe (voor een overzicht, zie Jaffe et al., 2008). Ouderverstoting/oudervervreemding wordt ook beschouwd als een vorm van dwingende controle (Harman, Bernet, & Harman, 2019).”

Tot slot, in tegenstelling wat het online discours de laatste tijd overwegend stelt, wordt dwingende controle / intieme terreur door beide seksen ongeveer gelijk gepleegd. Zie deze publicatie uit 2020 van het CBS: Dwingende controle in huiselijke kring. Wel is het natuurlijk zo dat vrouwen vaker slachtoffer zijn van ernstig en/of dodelijk geweld. Vanuit het perspectief van het kind vraagt elke vorm van geweld in een afhankelijkheidsrelatie echter gedegen analyses en opvolging omdat ondermijning van (de band met) de veilige ouder dreigt. Genderbias heeft hierin geen plaats.

Voor professionals

Lees je dit als professional werkzaam in de keten, dan is het van groot belang dat je niet alleen kijkt naar de ‘klassieke’ vormen van intieme terreur en dwingende controle.

Ouders hebben plichten, zowel naar het kind als naar elkaar. Het niet-naleven van deze actieve inspanningsplichten is wat veel complexe scheidingen kenmerkt. Lees over de ouderschapsnormen, de informatieplicht, de consultatieplicht en (vervangende) toestemming-vooraf-plicht van ouders. Op basis van deze plichten mag je constructief meewerkend gedrag van ouders verwachten. Niet alleen tijdens jouw interventie, maar vooral ook voorafgaand daaraan. Het is belangrijk dat je daar onderzoek naar doet.

De afwezigheid van een (pro)actieve invulling van deze gedragsnormen in aanloop naar/tijdens de interventie is een sterke contra-indicatie voor de welwillendheid van die ouder. In het belang van het kind behoor je ook op welwillend gedrag te sturen.

Stuur je niet op welwillend gedrag en verlang je geen gedragsverandering, dan bevestig je de niet-welwillende ouder feitelijk in het gedrag en werk je mee aan het in stand houden van de voor het kind onveilige situatie. Lees in dit kader ook de opinie: Intieme terreur en dwingende controle door systeem-triangulatie.

In zeer veel situaties wordt het standpunt ingenomen dat één van beide ouders niet-goed-genoeg zou zijn. In de meeste echter zónder enig objectiveerbaar bewijs. Toch wordt hierop dan (ten onrechte) zelfbepalend en bijvoorbeeld contact-beperkend handelen gebaseerd, terwijl dit slechts kan in een uiterste en zeer uitzonderlijke noodtoestand.

Dit gedrag beoogt één of meerdere van de volgende juridische doelen

Een situatie creëren en in stand houden waaruit blijkt dat:

  • Het kind (op termijn) zelf niet meer/minder naar de andere ouder wil. Hiertoe worden allerlei gedragingen in stelling gebracht die tot doel hebben het kind te vervreemden van de andere ouder en daarmee te bewerkstelligen dat het kind van 12 jaar of ouder ‘ernstige bezwaren tegen de omgang’ kenbaar maakt (artikel 1:377a lid 3 sub c BW), of zelf een brief aan de rechter schrijft.
  • De verzorging en opvoeding door de welwillende ouder schadelijk is voor het kind. Het doel is een vermindering of staking van de omgang tussen het kind en die ouder. Daarvoor wordt artikel 1:377a lid 3 sub a en b BW in stelling gebracht.
  • Overleg tussen de ouders onmogelijk is en direct ten koste gaat van het kind. Het doel is een verzoek tot een gezagswijziging op basis van artikel 1:251a lid 1 BW (het klem of verloren criterium).
  • De conflicten zo hoog laten oplopen dat de rechter – in het belang van het kind – geen andere uitweg ziet (artikel 1:377a lid 3 sub d BW).
💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit

Bijgewerkt: 6 januari 2026
Vechtscheidingen worden gekenmerkt doordat er tussen ex-partners niet of zeer moeizaam overeenstemming te bereiken is over kleine en grote zaken. Conflicten lopen geregeld onnodig hoog op of blijven juist doorsudderen om periodiek de kop weer op te steken.

Bij de meest ernstige vorm grijpt één van de ouders of grijpen beide ouders bijvoorbeeld naar (psychisch) huiselijk geweld. Soms komt ook stalking of erger voor. Wat we echter veel meer zien is dat er subtiel psychisch geweld wordt ingezet dat zich uit in allerlei gedrag om de ex-partner in een bepaalde richting te dwingen. Dit kan rechtstreeks of het ‘via het kind’, wat zich dan uit in oudervervreemding. Ook zien we geregeld dat andere ouderlijke plichten zoals de informatieplicht, consultatieplicht en (vervangende) toestemming-vooraf-plicht niet (voldoende) wordt nagekomen of dat het bestaan van de ex-partner (richting derden) wordt ontkend.

We zien regelmatig dat ouders zo ver gaan in het vasthouden aan hun eigen denkbeelden, dat dit (onoverkomelijk) leidt tot procedure na procedure, bijvoorbeeld doordat ze steeds opnieuw voor eigen rechter spelen. Niet zelden zien we strategieën waarbij de strijdende ouder de welwillende ouder tracht te gronde te richten, zowel emotioneel als financieel. We hebben een overzichtspagina gemaakt met negatieve tactieken die we regelmatig zien. Een vechtscheiding is daarmee dus geen communicatieprobleem maar het resultaat van gedragspatronen waarvan schadelijke communicatie één onderdeel is/kan zijn.

Een vechtscheiding kan alleen ontstaan en in stand blijven als niet beide ouders zich houden aan de ouderschapsnormen en de overige (inter-) ouderschapsplichten. Een duurzame oplossing kan dus ook slechts worden bereikt als beide ouders dit onvoorwaardelijk doen. Als dit niet gebeurt, dan dan dient nauwkeurig te worden onderzocht wat dit tegenhoudt en of er bijvoorbeeld onwil en/of psychische problematiek speelt. Indien daarvan sprake is, dan dient dit door het systeem (w.o. de rechtspraak) te worden begrensd, zodat dit zowel niet het kind als de welwillende ouder belast.

Vechtscheidingen zijn zeer belastend, zowel voor het betrokken kind als de welwillende ex-partners en hun directe sociale kring. Veel welwillende ouders raken uiteindelijk in een isolement doordat de omgeving de verhalen, vanwege de uitzichtloosheid en het gebrek aan vooruitgang, niet meer kan aanhoren en afstand neemt.

We hebben voor de term “vechtscheiding” gekozen omdat deze term meer is ingeburgerd dan andere begrippen die worden gehanteerd zoals “complexe scheiding” of “conflictscheiding”. Vechtscheidingen zijn o.i. bovendien zelden “complex”. Als beide ouders samenwerken, wat ze volgens de (inter-) ouderschapsplichten én rechtspraak ook verplicht zijn, dan zijn bijna alle “vechtscheidingen” eenvoudig oplosbaar eventueel ondersteund door een vorm van praktische opvoedondersteuning wanneer het kind kind-eigen problematiek heeft (bijv. ASS). We zijn bovendien van mening dat de term “complex” een excuus geeft aan niet-welwillende ouders en hulpverleners om geen resultaten te boeken en met name de hoofdverblijfouder uit de wind te houden.

💬
Je bent niet alleen. Elke werkdag helpen we ouders zoals jij bij juridische trajecten en in belastende dynamieken. Kennismaken is vrijblijvend, kosteloos en vertrouwelijk. We werken daarna op betaalde basis. Lees meer over diensten en kosten en wanneer te starten.

Biedt dit artikel de uitleg die je zocht?

Heb je een suggestie, tip of idee? Klik hier.
Wat kan beter?
Onduidelijk
Onjuiste info
Te lang
Iets anders

Bedankt voor je positieve feedback!

Bedankt voor je inbreng!

Feedback wordt in principe binnen 5 werkdagen verwerkt. Kom je later nog een keer terug?

Bedankt! Je inbreng wordt zeer gewaardeerd.

Lees ook dit